Men hoeft alleen maar te lezen wat Kundera schrijft over de Europese roman van de laatste vier eeuwen om het belang van de roman in te zien. Hij zegt:
"...alle grote existentiële thema's die Heidegger in "Sein und Zeit" analyseert, volgens hem aan hun lot overgelaten door de hele voorafgaande Europese filosofie, zijn door vier eeuwen Europese roman blootgelegd, in beeld gebracht, opgehelderd. Een voor een heeft de roman, op zijn eigen manier, volgens zijn eigen logika, de onderscheiden aspecten van de existentie ontdekt: met de tijdgenoten van Cervantes vraagt hij zich af wat het avontuur is; met Samuel Richardson begint hij wat in het innerlijk gebeurt te visiteren, het geheime leven van de gevoelens te onthullen; met Balzac ontbloot hij de verworteling van de mens in de geschiedenis; met Flaubert exploreert hij de terra tot dan toe incognita van het alledaagse; met Tolstoi buigt hij zich over de inmenging van het irrationele in de menselijke beslissingen en gedragingen. Hij peilt de tijd: het ongrijpbare onmiddellijke moment bij Proust. Hij ondervraagt, met Thomas Mann, de rol van de mythen die vanuit de diepte der tijden onze schreden op afstand sturen. Enz. enz."
Hij spreekt over de roman van de 17e t/m de 20e eeuw, maar elders begint zijn geschiedenis met Rabelais en de "Don Quichot" is niet denkbaar zonder de hoofse romans van Chrétien de Troyes van de 12e eeuw, de "Tirant lo Blanc" van de 15e en vele andere, tot en met "Daphnis en Chloë" en de "Ethiopika" van rond het begin van de jaartelling. In die laatste worden al liefdesgeschiedenissen, reizen en avonturen verteld die verdacht veel lijken op die van latere eeuwen, onder andere de onze. Het is de roman die de liefde, de ridderlijkheid of de hoofsheid, de schelmsheid en het satirische, het innerlijk en de bontheid en veelvormigheid van de wereld aanschouwelijk heeft gemaakt, zo niet opgeroepen.
De kunst is natuurlijk om door de gebruikelijke terminologie die de romans verdeelt in een oneindig aantal subgenres, heen te zien dat zij dit soort onderwerpen behandelen. In het minimalistische bestek waarin ik deze schets van een geschiedenis van de Europese roman wil persen wil ik proberen telkens in een enkel woord de perioden te karakteriseren. Ik merk ook nog op dat iedere opmerking over de romankunst van de 17e t/m 20e eeuw, die is beperkt tot de omvang die ik hier heb gekozen, de indruk moet maken van gebrek aan belezenheid.
1. De antieke roman
Van de ongeveer 20 titels die ons bekend zijn, zijn er een stuk of vijf, zes vrijwel volledig aan ons overgeleverd. Verder zijn er fragmenten bewaard. Van weer andere is alleen de titel overgeleverd. Van al deze teksten zijn veel studies gemaakt. De beoordeling ervan is echter zeer verschillend. Niklas Holzberg noemt ze "soaps", Thomas Pavel heeft "infiniment" genoten van de lezing ervan. De meeste zijn liefdesverhalen, zo doorspekt met verslagen van reizen, ontvoeringen, schijndoden, zeeroverij, herenigingen, trouwerijen, enz. dat ze ook reisverhalen worden genoemd. Men vindt ze vaak uitingen van een eerste individualisme dat zou zijn ontstaan nadat Alexander de Grote de Griekse stadsstaten met hun relatieve geborgenheid in een veel groter, onherbergzamer verband had ondergebracht. Men ziet er vaak ook verhalen in waarin de gelijkheid tussen man en vrouw wordt geëxploreerd. Het is echter zeer de vraag of de protagonisten van deze verhalen zoveel zelfstandigheid hebben dat zij individuen kunnen worden genoemd.
Interessant kunnen zijn vergelijkingen met de epen van Homeros, met het werk van de Griekse tragedie- en comedieschrijvers, met dat van historici als Herodotus en Xenophon van Athene. Ook vergelijking met de "Kyrupaideia" kan materiaal opleveren ter nadere bepaling van de romaneske activiteit in de Oudheid. Doordat in deze romans zoveel invloed van goden wordt vermeld, zijn ze ook vergelijkbaar met de hagiografische biografieën uit dezelfde tijd en later, zoals de "Belijdenissen" van Sint Cyprianus (tweede helft 4e eeuw). Gaat men ervan uit dat ook Jezus van Nazareth een romanfiguur is, dan vallen ook de kanonieke en apokriefe bijbelverhalen onder de studie van de roman en het romaneske.
Intermezzo
Tot de 12e eeuw worden er vervolgens geen romans meer geschreven. Heel Europa is onderworpen aan de barbariserende gevolgen van de zg. Volksverhuizingen. De romankunst die in de 12e eeuw weer opkomt, begint echter niet weer van voren af aan. In de eerste plaats schrijft men zg. "romans antiques" hetgeen gezien kan worden als een van de vormen van de "translatio studii". In de tweede plaats is het model van de roman bewaard gebleven in de vele heiligenlevens die men is blijven schrijven. Misschien is de stagnering dan ook niet te wijten aan de invloed van de volksverhuizingen, maar aan de kerstening van Europa, die o.m. als gevolg heeft dat men niet meer is geïnteresseerd in helden, maar in heiligen.
2.
a. De Franse middeleeuwse romans
Frankrijk komt de eer toe de term "roman" te hebben uitgevonden. Men deelt de stoffen waaruit werd geput meestal in in drie "matières", de antieke, de Keltische (Arthursagen) en de Karolingische (Karelssagen).
In de 12e eeuw verschenen er een aantal teksten die de auteurs zelf "roman" noemden. Het waren herschrijvingen in het "romaans" van in de Oudheid geschreven epische verhalen, zoals de "Aeneis" van Vergilius en de "Thébaïde" van Statius. De Franse historici noemen ze nog steeds "romans antiques", vanwege de antieke inhoud.
Karelssagen, in de vorm van "chansons de geste", werden al in de 11e eeuw geschreven. Meestal beschreven zij de avonturen van een der paladijnen van Karel de Grote, bij voorbeeld van Roeland in het "Chanson de Roland", of van Renout van Montalbaen. "Karel ende Elegast" gaat over Karel zelf. De liefde tussen mannen en vrouwen speelt in deze romans nog een zeer bescheiden rol, het gaat vooral om de trouw van de paladijn aan de heer, Karel de Grote.
Een heel andere inhoud hadden de zg. hoofse romans die iets later in de eeuw werden geschreven. Een van de eerste was de roman van "Tristan en Isolde" waarin een liefde-tot-de-dood wordt verteld, hetgeen volgens sommigen niet echt hoofs is. Dat zijn echter bij uitstek wel de vijf romans van Chrétien de Troyes die zich naar het zich laat aanzien afzetten tegen de boodschap van de "Tristan" en een beheerste vorm van liefde behandelen. De Franse mediëvist Michel Zink zegt over deze vijf romans
"... waar het bij deze romans om gaat: (dat is) de ontdekking van zichzelf, van de liefde en van de ander. Hierom gaat het in alle vijf de romans. In "Erec et Enide", de roman van de liefde tussen echtelieden, die laat zien ten koste van hoeveel inspanningen een evenwicht moet worden bereikt na de eerste bloei van de hartstocht. In "Cligès" en in de "Chevalier au Lion", waarin de problematiek van het huwelijk opnieuw aan de orde wordt gesteld. Yvain komt tot de ontdekking dat de verovering van een echtgenote niets voorstelt zonder dat hij zichzelf heeft gegeven; geobsedeerd door het overspel van Isolde, zoekt Fenice, overigens zonder veel succes, de rechten van het hart te handhaven, zonder de oneerlijke band van een verplicht huwelijk te breken. Vooral in de "Conte du Graal", die de rijkste en meest fascinerende van de romans van Chrétien is. Deze roman, die op een heel sterke en complexe manier wortelt in de wisselwerking tussen natuur en opvoeding, in de familiebanden, in de verhouding van de jonge man en zijn moeder, in de schaduw van de dode vader, is echt een roman over de ontdekking van zichzelf en van anderen: de jonge held erin weet in het begin niets van zichzelf, zelfs zijn naam niet, en niets van de wereld zodat hij zelfs schepper en schepping verwart en een ridder voor God houdt. Hij leert dat de onthulling van zichzelf via de dienst aan anderen gaat en dat hij de antwoorden die hij zoekt niet zal vinden dan door naar hun vragen te luisteren en die te stellen die hen bezighouden."
Al deze romaanse teksten werden geschreven in verzen. In de 14e eeuw begint men ze in proza over te brengen waardoor de compositie veel losser wordt en vaak teloorgaat, zodat er op de duur, in het voortdurende proces van bewerkingen, geen eind meer aan komt. De bekendste voorbeelden zijn de "Tristan en prose" en de "Lancelot en prose".
b. Nederlandse en Duitse bewerkingen
In 1174 voltooide Hendrik van Veldeke de "Eneide", zijn bewerking van de Franse "Roman d'Énéas", een van de genoemde "romans antiques". Hij werd met dit soort werk het grote voorbeeld voor de beroemde Duitse bewerkers Wolfram von Eschenbach (Tristan und Isolde), Gottfried von Strassbourg (Parzival) en Hartmann von Aue (Iwein). Ook de Nederlander Jacob van Maerlant heeft zich beziggehouden met zulke bewerkingen (Historie van den grale). Een andere Nederlandse bewerker was Dirk van Assenede die een mooie "Floris ende Blanchefloer" naliet.
3. De Italiaanse romans van de 14e eeuw
Voordat Italië de grote bloeitijd van de 16e eeuwse vertellers doormaakte, had in het bijzonder Boccaccio de stoot gegeven voor de roman in proza. Van zijn hand zijn o.a. de "Fiammetta", waarin een door haar geliefde in de steek gelaten vrouw haar nood klaagt, en de "Filocolo" dat de versie van de "Floris ende Blanchefloer" van Boccaccio bevat.
Hij was echter niet de enige die verhalende teksten schreef. Al heel vroeg en nog tot in het midden van de 14e eeuw wordt er geschreven in een franko-italiaans. De stof die behandeld wordt bestaat uit de Karels- en Arthursagen. Vervaardigd worden cantari, in het algemeen in oktaven, zoals de cantari "Rinaldo da Montalbano" en een "Orlando" (einde 13e eeuw), voorlopers van Pulci e.v. Ook een "Cantari di Florio e Biancifiore" (1320/30), dat werd herverteld door Boccaccio. Verder "La Donna del Vergiù", naar de "Chatelaine de Vergi".
4. De Spaanse romans
Al op het einde van de 13e eeuw kan de "Blanquerna" van Raimondo Llull worden gesignaleerd en iets later van een anonieme schrijver de "El caballero Zifar". Zijn dit overwegend nog eendagsvliegen, op het einde van de 15e eeuw komt Joanot Martorell van Valencia met zijn belangrijke en door Cervantes hoog aangeslagen "Tirant lo Blanc" en in 1470 publiceert Montalvo, onder de titel "Sergas de Esplandian", de eerste versie van de "Amadis de Gaula". Daarmee begint de opgang van de Spaanse roman. De navolgingen van dit boek zijn niet te tellen. Er verschijnen vervolgen op den Amadis: Lisuarte de Grecia; Amadis, ridder van het vurige zwaard; don Florisel de Niquea; don Silves de la Selva; don Cristalion de España; Palmerin de Oliva en vele andere.
In de 16e eeuw ontstaan de beroemde schelmenromans of pikaros, zoals de "Vida de Lazarillo de Tormes", terwijl ook een belangrijke bijdrage wordt geleverd door de herdersroman en de zg. "novela sentimental".
5. De Italiaanse heroïsch-komische "romanzi"
Aan een aantal Italiaanse hoven - vooral Milaan en Ferrara - wordt het schrijven van heroïsche gedichten zeer bevorderd. Een van de eerste van dit genre is "Morgante maggiore" (1483) van Luigi Pulci, verschenen in Florence. In Ferrara komt het tot de productie van een hele serie van dit soort werken. De belangrijkste zijn: "Orlando innamorato", 1483-1494 van Matteo Maria Boiardo, "Orlando furioso", 1516-1533 van Ludovico Ariosto, "Italia liberata dai Goti", 1548 van Giangiorgio Trissino. Men betitelt deze werken vaak als "heroïsch-komisch". Hun vertelstof ontlenen deze schrijvers in hoofdzaak aan de "matière de France", dus de Karelssagen.
Werden de helden van deze heroïsche romans op een nogal komische en vermakelijke manier voorgesteld, Torquato Tasso ("Gerusalemme liberata", 1575) beoogde meer een echt epos te schrijven en behandelde een veel serieuzer stof, namelijk de verovering van Jeruzalem door de kruisvaarders onder leiding van Godfried van Bouillon. Ariosto en Tasso hebben veel invloed buiten Italië gehad, o.a. op Cervantes.
De verschijning van deze romans in verzen, die de schrijvers ervan zelf "romanzi" noemden, heeft geleid tot een interessante controverse over de vraag of de roman moest beantwoorden aan voorschriften die men in de "Poetika" van Aristoteles meende aan te treffen. Sommigen, zoals Trissino, meenden dat dit inderdaad zo was, maar Giovambattista Giraldi Cinthio, zelf de auteur van o.a. een novellen-verzameling, de "Ecatommiti" (1565), en een aantal toneelstukken, poneerde dat de roman een genre was dat Aristoteles helemaal niet kende en dat zijn eigen wetmatigheden had. Zijn boek, de "Discorsi intorno al comporre dei Romanzi, delle Comedie, e delle Tragedie" van 1554, wordt vaak gezien als de vroegste theorie van de roman.
6. De Franse romans van de 17e eeuw
Van zeer groot belang is na het midden van de 16e eeuw de ontdekking en vertaling in het Frans van de "Ethiopika" van Heliodorus geweest. Naar aanleiding hiervan ontbrandde er een scholenstrijd over de vraag of men de voorkeur moest geven aan de middeleeuwse ridderroman of aan de klassieke, gerepresenteerd door de "Ethiopika".
Had het initiatief tot de romanschrijverij sedert de 14e eeuw in Italië en Spanje gelegen, in de 17e herneemt Frankrijk de hegemonie. De Franse romanliteratuur van de 17e eeuw begint met de herdersroman "L'Astrée" van Honoré d'Urfé en eindigt met "La Princesse de Clèves" van Mme De La Fayette. De laatste is voor de Fransen het prototype van de klassieke roman.
In de tijd na de verschijning van "L'Astrée" schrijft men enerzijds heroïsch-galante romans (Gomberville, La Calprenède, de Scudéry), anderzijds satirische, ook wel realistische genoemd (Scarron, Sorel, Furetière). In het laatste derde deel van de eeuw breekt, op het voetspoor van de heruitgevonden novelle, de klassieke roman door, gekenmerkt door beknoptheid, plotmatigheid en psychologische fijnzinnigheid. De meest gerenommeerde representant van dit genre is "La Princesse de Clèves" (1678) van Mme De La Fayette, waarin de spontane ontwikkeling van een liefde wordt geanalyseerd, die tegelijkertijd wordt weerstaan.
Een van de belangrijkste kenmerken van deze romanproductie is de ontdekking en exploratie van het innerlijk en de innigheid. Had Descartes al zijn "Les passions de l'âme" gepubliceerd, een rationalistische psychologie, enige decennia later publiceerde Mlle de Scudéry haar "Carte de Tendre", later opgenomen in haar roman "Clélie", waarbij als de essentie van de liefde de "tendresse" wordt gedefinieerd. Marivaux zal hierop in het begin van de 18e eeuw nog terugkomen en de "sensibilité" en de "tendresse" als grondslag voor de "ware liefde" verdedigen.
Aan de ontwikkeling van de klassieke roman had ook Pierre Daniel Huet deel, de auteur van het "Traité sur l'origine des romans", dat als de eerste geschiedenis van de roman mag gelden.
7. De roman van de 18e eeuw
In de 18e eeuw is de romanschrijverij niet meer het prerogatief van een bepaald land. Niet alleen in Frankrijk, waar men ze, gegeven de ontwikkelingen in de romanliteratuur, kon verwachten, maar ook in Engeland en Duitsland verschijnen belangrijke werken. In Frankrijk is natuurlijk Jean-Jacques Rousseau de meest erkende grootheid, maar aan hem gaan Lesage, Marivaux, Prévost (en de op het gebied van de romanschrijverij mindere goden Montesquieu, Voltaire, Crébillon) vooraf, terwijl zijn leeftijdgenoot Diderot en na hem Choderlos de Laclos en Sade eveneens belangrijke romans schreven. In Engeland zijn Defoe, Richardson, Fielding, Sterne, Swift en Burney de belangrijkste auteurs van romans. Duitsland spant met Goethe misschien wel de kroon van de 18e eeuw, maar het treedt pas als laatste op.
In een zeer grove benadering van de roman van deze eeuw kan men zeggen dat de grootste vernieuwing bestond in de psychologische verdieping, de exploratie van het innerlijk van de personages, een verschijnsel dat al aanwijsbaar is de Spaanse "novela sentimental" van de 16e en in het werk van d'Urfé en de heroïsch-galante schrijvers rond het midden van de 17e eeuw.
8. De roman van de 19e eeuw
Na de 18e eeuw wordt de romankunst zo druk beoefend dat het ondoenlijk is een beetje aardige lijst samen te stellen. Voor Frankrijk kunnen daarop Stendhal, Honoré de Balzac, Victor Hugo, Gustave Flaubert en Émile Zola figureren. Voor Engeland Walter Scott, Jane Austen, George Eliot, Charlotte Brontë (eventueel alle drie de Brontë-sisters), Charles Dickens, Thomas Hardy. Duitsland heeft niet zo'n geweldige staat van dienst. Men vindt vaak dat alleen Theodor Fontane werk van betekenis heeft geproduceerd, maar auteurs als Meyer en Adalbert Stifter mogen niet worden overgeslagen. Italië kan wijzen op Manzoni. Spanje op Alarcón, Galdós, Blasco Iba ez, Pio Baroja. De kroon spant waarschijnlijk Rusland met Tolstoi, Gogol, Toergenjew, Dostojewski, Gontsjarow.
Men deelt de literatuur van de 19e eeuw meestal in in romantische, realistische, naturalistische en symbolistische, een terminologie die in hoofdzaak slaat op de romanliteratuur. Zij geeft aan dat de romanschrijvers zich ingespannen hebben om verslagen van de werkelijkheid te schrijven, de roman te vermaatschappelijken (in plaats van idealistische voorstellingen te scheppen). Kenmerkend is dat de roman zich helemaal uitleeft in psychologische analyse, schildering van de natuur en van de maatschappelijke omstandigheden, alsmede van de geschiedenis. Het verhaal wordt vaakeen "verhaaltje" dat als aanleiding of kapstok dient om beschrijvingen en beschouwingen aan op te hangen. De roman krijgt daardoor een encyclopedisch karakter waarin alle aspecten van het menselijke leven aan de orde komen.
9. De roman van de 20e eeuw
Al met het symbolisme van het einde van de 19e eeuw trad een proces van modernisering van de roman in. Men wist echter nog niet meteen de nieuwe vorm te vinden en gedurende de eerste twee decennia van de 20e eeuw wordt dit zoeken voortgezet. Dan, in de twintiger jaren, verschijnen de werken van Marcel Proust, James Joyce, Hermann Broch, Luigi Pirandello, André Gide, Alfred Döblin, Franz Kafka, Hermann Hesse, Robert Musil, John Dos Passos, William Faulkner, F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Theodore Dreiser, Elias Canetti en anderen die men modernistisch is gaan noemen. De - bijna wetenschappelijke - behandeling van alle gebieden van het maatschappelijke leven wordt weer verlaten ten gunste van een verdere verdieping van het zieleleven van de personages.
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog is er uiteraard in de literatuur veel aandacht besteed aan de verwerking van die oorlog. Vanaf de 50er jaren echter zijn er verscheidene verschijnselen aan te wijzen: de existentialistische roman (Sartre, De Beauvoir, Camus), de magisch-realistische roman uit Spaans-Amerika ((Borges), Cortázar, Fuentes, Marquez, Vargas Llosa), de Oost-Europese roman (van voor en na 1989) (Georghiu, Conrad, Kundera), de Nouveau Roman in Frankrijk (Robbe-Grillet, Butor, Sarraute, Duras), de postmodernistische roman in Italië (Calvino, Eco).
De postmodernistische roman wordt gekenmerkt door autoreflectie en metafictionaliteit, kenmerken die ook al zijn aangewezen bij o.a. Shakespeare en Cervantes. En zelfs al bij Dante en Chaucer.
Slot
Zo'n uiteenzetting als de bovenstaande zit natuurlijk vol met ongeverifieerde hypothesen en vragen. Wat bedoelt bij voorbeeld Schmeling als hij aarzelt om de antieke roman op te nemen in zo'n "Europese" geschiedenis? Of waarom telt men de Italiaanse "romanzi" van de 16e eeuw er niet bij? Of welke opvatting van de roman huldigen die schrijvers die de geschiedenis van de roman pas laten beginnen in het Engeland van de 18e eeuw? En waarom niet gewoon uitgegaan van het boek van Doody, als men dan toch met de Oudheid wil beginnen? Nog mooier: moet men dit allemaal weten om een roman te kunnen lezen?
Erger vind ikzelf dat er op geen enkele roman ook maar enigermate wordt ingegaan. Het is m.i. echter nodig zo'n uitlijning van de geschiedenis van de roman eens onder woorden te brengen en haar als probleem te stellen. De meeste verhandelingen vallen met de deur in huis. Een mooi voorbeeld daarvan is het boek van Ian Watt die in zijn titel aankondigt het te hebben over "the novel", maar al heel snel alleen maar praat over de Engelse en/of over de moderne of de realistische roman. Een recente Duitse vertaling van zijn boek spreekt in de titel terecht van "der bürgerliche Roman". Wat bijvoeglijke naamwoorden al niet kunnen oproepen.
Ton Lenssen, Maastricht
Geen opmerkingen:
Een reactie posten