Zoeken in deze blog

Iets over de oorsprong van de roman

(In bewerking!!! De noten moeten nog worden ingevoerd.)
               
                                     

Menigeen die "gewoon" romans leest zal verbaasd zijn over het feit dat er een geschiedenis van de roman bestaat. Zijn romans niet "gewoon" romans? Wat kan daar nou voor geschiedenis aan te pas komen? En heb je daar ook wat aan? Ik bedoel, wordt de roman die je net leest leuker, mooier, beter als je er de geschiedenis van kent? Die laatste is een verraderlijke vraag. Het lijkt net of het gaat om de geschiedenis van een bepaalde roman, "Eline Vere" bij voorbeeld. Men kan er zich de vraag bij stellen: "hoe komt de schrijver hierbij?" Het antwoord is meestal: "hij moet wel veel fantasie hebben". Daarmee is de kous dan meteen af want fantasie heb je of heb je niet en als je haar al hebt dan is zij toch ondoorgrondelijk. Wie snapt er nu hoe iemand op de avonturen van iemand komt? Is fantasie niet zo iets als "invallen"? Soms hoor je dan: "Hij heeft het uit de krant. Er stond een berichtje op bladzijde 5 in de rechterkolom, iets van een regel of tien twaalf. En dat heeft hij opgeblazen tot een heel boek." Opgeblazen, nietwaar, al weet je niet wat je je daarbij moet voorstellen. Een berichtje is immers geen fietsenband of ballon.
Hoe dan ook, soms ben je nieuwsgierig naar het ontstaan van een roman die je leest. Zo'n historie is natuurlijk ook een verhaal, zij het geen roman. Kranten hebben vol gestaan over het ontstaan van "De Da Vincicode". Hoe is die Brown op deze geschiedenis gekomen? Wat ervan is waar? Welke waren zijn bronnen? Deze geschiedenis blijkt er een van veel onderzoek te zijn geweest, voorafgaande aan het eigenlijke schrijven. Nu gaat het hierbij om de geschiedenis van een bepaalde roman, niet om die van "de" roman, de roman in het algemeen, de roman als genre. Wanneer is echter de roman - als genre - ontstaan, hoe heeft hij zich ontwikkeld, in welk stadium zijn wij nu? Welke is de eerste roman en wie heeft hem geschreven? En is dat al vastgesteld? Door wie? Waar? Je moet het in ieder geval zoeken in een geschiedenis van de roman.
Dat is niet het enige. Het schrijven van de geschiedenis van de roman is ook een heel verhaal. De romangeschiedenis begint al in de Griekse oudheid, maar het beschrijven ervan, de geschiedschrijving óver de roman veel later. In het algemeen wijst men Pierre Daniel Huet (1630-1721) aan als de eerste auteur van die geschiedenis. Hij was echter niet de eerste die een standpunt vertolkte over die geschiedenis. Meer dan een eeuw eerder publiceerde Giambattista Giraldi Cinzio (1504-1573) zijn "Discorsi intorno al comporre dei romanzi, delle comedie, tragedie e di altre maniere di poesia" (1554), waarin de eerste aanzetten tot een theorie van de roman staan waarop meer dan honderd jaar later Huet in zijn "Traité de l'origine du roman" (1670) zou teruggrijpen. (1) De "Discorso" speelde een belangrijke rol in een debat dat wel eens - met forse overdrijving - "la più grande polemica del Cinquecento" is genoemd en dat ging over de vraag of men de voorkeur moest geven aan de "Italia liberata dai Goti" van Trissino of aan de "Orlando furioso" van Ariosto. Het probleem zat in de poëtikale opvattingen die aan de beide werken ten grondslag lagen. Trissino schreef naar aristotelische trant, Ariosto niet en Giraldi betoogde dat men de "Orlando furioso" niet mocht toetsen aan de "Poetika" van Aristoteles, aangezien de laatste geen "romanzi" had gekend.
"...mij lijkt, schrijft hij, dat wij eerst te weten moeten zien te komen wat dat woord "roman" betekent ... wat de naam betreft ... geloof ik dat ... die ... is afgeleid van het woord (romè) dat bij de Grieken kracht betekent en sommige Latijnen wensen zich dat er de naam "Rome" van is gekomen, vanwege de onmetelijke kracht van het Romeinse volk ... ik ben van mening dat men geen andere werken "romans" mag noemen dan gedichten en composities over krachtige ridders ... en ik laat mij er makkelijk van overtuigen dat deze wijze van romans schrijven bij ons is gekomen in plaats van de heroïsche werken die de Grieken en Latijnen produceerden. Zoals zij in hun taal illustere en duidelijke daden beschreven van sterke ridders, zo behandelen zij die zich hebben toegelegd op het schrijven van romans gefingeerd materiaal over ridders die zij dolend noemen. Men ziet daarom in hun werken deugdzame en moedige feiten staan, vermengd met liefde, met hoofsheid, met spel, met vreemde gebeurtenissen zoals de Grieken en Latijnen hun werken maakten. En mij lijkt dat men kan zeggen dat dit soort poëzie zijn oorsprong en zijn begin had bij de Fransen, van wie zij misschien ook de naam gekregen heeft... Vervolgens is deze manier van dichten van de Fransen overgegaan op de Spanjaarden en tenslotte overgenomen door de Italianen."
Giraldi beschrijft hier dus heel summier wat hij onder romans verstaat, namelijk verhalen over krachtige ridders. "Romè" hoort thuis in romans oftewel de materie van de roman is het "romaanse", het karakteristieke van het Romeinse volk. Romaans zou dan vertaald moeten worden met krachtig, heldhaftig en de substantie van de romanheld aanduiden. Op het eerste gezicht lijkt dit misschien een gezochte interpretatie, maar in de kern zegt zij dat romans over helden gaan, menselijke wezens die heldhaftig oftewel actief - en niet passief - zijn, daden en handelingen verrichten.
Verder maakt hij onderscheid tussen de heroïsche verhalen van de Grieks en Latijn schrijvende auteurs van de Oudheid, de epen, enerzijds en de romans, die voor de epen in de plaats zijn gekomen. In de Oudheid schreef men geen romans, zegt Giraldi, de Fransen hebben ze uitgevonden en wel in de ridderromans. Hun "maniera" is eerst overgegaan op de Spanjaarden die de "Tirant lo Blanc" (± 1460) en de "Amadís de Gaula" (1492-1504) voortbrachten, en vervolgens overgenomen door de Italianen, die - d.w.z. Bernardo, de vader van Torquato Tasso, - o.a. de "Amadigi" (1560) schreven.
Giraldi was niet de eerste die een theorie van de roman had. Al voor hem had een andere Italiaan, Simon Fórnari (±1500-±1560), een verdediging van de "Orlando furioso" geschreven en daarin het standpunt behandeld dat een roman moest voldoen aan zogenaamde regels van Aristoteles. En ook de leerling van Giraldi, Giambattista Pigna (1539-1575), schreef een boek over de roman. Deze beide auteurs, die wel uit de geschiedenis putten, schreven echter geen systematische histórie van de roman.
Ook in Frankrijk ontstonden in het midden van de 16e eeuw discussies over de roman. Daar werd een aantal antieke Griekse romans in het Frans vertaald, o.a. door Jacques Amyot (1513-1599), die de "Dafnis en Chloë" van Longos, de "Klitofon en Leukippe" van Achilles Tatius en de "Aethiopika" van Heliodorus voor zijn rekening had genomen. Vooral de laatste kreeg de status van modelroman. Het werk werd, in het midden van de 16e eeuw, behalve in het Frans, ook vertaald in het Spaans, Duits, Italiaans en Engels; het werd een modelroman door heel Europa en is dat minstens tot in de 19e eeuw gebleven. Deze vertalingen leidden tot veel discussies en studies over de aard van de roman.
De Italiaanse en Franse debatten, die min of meer tegelijkertijd plaatsvonden, hadden echter een verschillende achtergrond. Giraldi kwam op voor Ariosto tegenover Aristoteles, Amyot vergeleek de "Amadís de Gaula" met de "Aethiopika" van Heliodorus en kwam, als goed renaissanceman, tot het standpunt dat de roman van Heliodorus de voorkeur verdiende. Hij vond de ridderroman niet het mooiste model en beschouwde dus ook de "kracht" niet als het kenmerk van het romanpersonage. Honderd jaar na de vertaling van Amyot is de "Ethiopika" o.a. de grote favoriet van Pierre Daniel Huet in zijn "Traité de l'origine des romans" (1670), vooral omdat het boek in medias res begint. Dat bewerkstelligt namelijk nieuwsgierigheid naar het voorafgaande en naar wat komen gaat, aldus Amyot in zijn voorbericht. Amyot wilde met deze nieuwe modellen afstand nemen van de ridderromans die hij slecht gecomponeerd en onwaarschijnlijk vond. De receptie van Heliodorus behoort dus tot de Renaissance.

Na de publicatie van de "Heptaméron" in 1559 van Marguerite de Navarre was de vertelkunst in Frankrijk stilgevallen. Rond 1600 kwam het genre opnieuw tot ontwikkeling met als hoogtepunt de grote pastorale roman "L'Astrée" van Honoré D'Urfé (1557-1625), waarvan de eerste drie delen verschenen in 1607, 1610 en 1619, terwijl het vierde bij zijn dood nog niet voltooid was. Tussen 1620 en 1660 publiceerden Charles Sorel, La Calprenède, Gomberville, Mlle de Scudéry, Cyrano de Bergerac, Paul Scarron en Furetière omvangrijke tot zeer omvangrijke romans, behorende tot de subgenres van de heroïsche, komische en "ware" romans. Men vat ze in het algemeen samen als de romans van de Barok.
Na 1660 begint er in Frankrijk weer een andere wind te waaien. Men had met name genoeg van de zeer wijdlopige heroïsche romans, soms in 10 delen, en beperkte zich ineens tot korte vertellingen van zo'n 250 bladzijden. In plaats van verslagen van gevechten, lange omzwervingen, schakingen en schipbreuken schreef men nu over hofbals en tournooien. Men eiste van de romanschrijvers nieuwe zorg om de waarheid en een bijna exclusieve aandacht voor de moraal. Deze nieuwe vorm van de roman, waarvan de Segrais met zijn "Nouvelles françoises"(1656) de initiator was, heeft een van de meest authentieke meesterwerken van de Franse literatuur opgeleverd, namelijk "La Princesse de Clèves" (1678) van Mme De La Fayette (1634-1693). Deze schrijfster had al in 1662 "La Princesse de Monpensier" gepubliceerd, in overeenstemming met de nieuwe trend.
Jean-Regnault de Segrais (1624-1701) putte voor zijn compositie van de "Nouvelles françoises" inspiratie uit de "Heptaméron", maar hij vond ook de formule van de klassieke roman: een kader ontleend aan de recente geschiedenis, aangevuld met waarschijnlijkheden, gevoelens en correcte analyses daarvan en een zoeken naar eenvoud en precisie.
Huet was, wat zijn intellectuele activiteiten betreft, zowel historicus, theoloog en filosoof als letterkundige. Voor de geschiedenis van de roman is hij van belang vanwege zijn "Traité de l'origine des romans" (1670). Dit was een tractaat in de vorm van een brief, gericht tot zijn vriend De Segrais. Deze behoorde, evenals Huet zelf, tot een informele kring van letterkundigen waartoe ook Paul Scarron, Mlle de Scudéry, La Rochefoucauld en Mme De La Fayette moeten worden gerekend. De brief werd afgedrukt voorafgaand aan de roman "Zayde. Histoire Espagnole par monsieur de Segrais" (1670) waarvan nu wel vaststaat dat hij geschreven is door Mme de La Fayette.


Huet steunde overigens op enkele aan hem voorafgaande schrijvers, zoals Photius (820-886?), Suidas (midden 10e eeuw), de al genoemde Giraldi, Claude Fauchet (1530-1601).
Huet leverde, naar men algemeen stelt, in zijn "Traité" een historische bijdrage aan de in de bovengenoemde kring gevoerde talrijke discussies over de roman. Hij behandelt er deze geschiedenis in vanaf het begin dat hij, in het hieronder volgende fragment, dateert in het "Land der Fabelen", de Orient. Men heeft er zich vaak over verwonderd dat hij de romans van zijn eigen dagen niet meer besprak, maar vermoedelijk moet dit worden verklaard uit het feit dat men toen bij voorkeur niet sprak van "romans", maar van "histoires" of "nouvelles". De eerste term was teveel verbonden met de heroïsche verhalen uit de tijd vóór 1660. Huet heeft dus waarschijnlijk niet een geschiedenis van het nieuwe genre willen schrijven, maar uitsluitend die van de romans van het inmiddels jongste verleden, geschiedenis opgevat als relaas van de verleden tijd. Het nieuwe genre achtte men de "invention de nos jours". Strikt genomen nam Huet met dit geschrift niet deel aan de aan de gang zijnde discussie.
Deze speelde zich overigens ook niet af onder theoretici, maar voltrok zich in de romans zelf door opmerkingen of zelfs hele vertogen van de romanciers. De theoretici - o.a. Boileau en Guéret - spraken niet eens over de roman. De "Nouvelles françoises" van De Segrais bij voorbeeld bestaan uit zes dialogen waarin - naast het geliefkoosde onderwerp, de liefde - ook over de roman wordt gesproken. Ook in correspondentie is veel materiaal te vinden.

Huet geeft eerst een definitie van de werken die volgens hem terecht de naam van roman verdienen, waarbij hij scherp stelling neemt tegen de opvatting van Giraldi. Dit gaat als volgt:

"Vroeger verstond men onder romans niet alleen die welke geschreven waren in proza, maar vaker nog die geschreven waren in verzen. Giraldi en zijn leerling Pigna in hun verhandeling "Le romanzi" erkennen bijna geen andere en geven als voorbeelden Boiardo en Ariosto. Maar tegenwoordig overheerst de tegenovergestelde mening en wat men romans in eigenlijke zin noemt zijn fictionele amoureuze geschiedenissen, kunstzinnig in proza geschreven, tot lering en vermaak van de lezers. Ik zeg ficties om ze te onderscheiden van de ware geschiedenissen. Ik voeg amoureuze avonturen toe omdat de roman in de eerste plaats over de liefde moet gaan. Zij moeten geschreven zijn in proza om overeen te stemmen met de usance van deze tijd. Zij moeten kunstzinnig en volgens bepaalde regels zijn geschreven anders zijn zij een warboel, zonder orde en zonder schoonheid. Het voornaamste doel van de romans of althans wat het moet zijn en wat zij die ze schrijven zich ten doel moeten stellen, is de lering van de lezers die men altijd de bekroonde deugd en de gekastijde ondeugd moet laten zien. Maar aangezien de menselijke geest van nature de vijand is van het onderricht en zijn eigenliefde hem in opstand brengt tegen het onderwijs, moet men hem verleiden door het plezier en door de gestrengheid van de voorschriften te verzachten door de charme van de voorbeelden en zijn fouten corrigeren door die van een ander te veroordelen. Zo is het vermaak van de lezer, dat de ervaren romanschrijver op het oog lijkt te hebben, slechts een doel ondergeschikt aan het hoofddoel dat bestaat in de vorming van de geest en de verbetering van de zeden: en de romans zijn min of meer regulier naar gelang zij zich meer of minder ver verwijderen van deze definitie en dit doel. Alleen over deze (romans) zal ik het met u hebben en ik geloof ook dat uw nieuwsgierigheid zich tot deze beperkt.
Ik spreek hier dus niet over de romans in verzen en nog minder over de epische gedichten; afgezien van het feit dat zij in verzen zijn geschreven, vertonen zij bovendien nog essentiële verschillen die ze van de romans onderscheiden; overigens hebben zij een zeer grote betekenis en volgens de doctrine van Aristoteles die leert dat de dichter meer dichter is door de ficties die hij bedenkt dan door de verzen die hij componeert, zou men de romanmakers kunnen rangschikken onder de dichters. Petronius zegt dat de gedichten verklaard moeten worden door grote omwegen, door de dienst van de goden, door vrije en moedige uitdrukkingen, zodat men ze veeleer houdt voor orakels dan voor exacte en getrouwe vertelling: de romans zijn eenvoudiger, minder verheven, minder beeldend in het bedachte en in de uitdrukkingen. Gedichten bevatten meer wonderbare hoewel altijd waar-schijnlijke dingen; romans behelzen meer waarschijnlijke dingen hoewel er vaak wonderbare in staan. Gedichten zijn meer gereguleerd en meer bijgeschaafd en hebben minder inhoud, gebeurtenissen en episodes; romans krijgen er meer omdat zij minder verheven en uitgewerkt zijn; zij spannen de geest niet zo in en laten hem in een toestand waarin hij zich met een groter aantal verschillende denkbeelden kan belasten. Tenslotte hebben gedichten als onderwerp een militaire of politieke actie en zij gaan slechts terloops over liefde; romans daarentegen behandelen in hoofdzaak de liefde en oorlog en politiek slechts per toeval.
Ik heb het dan over de reguliere romans, want het merendeel van de Franse, Italiaanse en Spaanse romans zijn heel wat minder amoureus dan militair. Dat heeft Giraldi doen geloven dat de naam roman van een Grieks woord komt dat kracht en moed betekent; omdat die boeken alleen maar zijn geschreven om de kracht en de moed van de Paladijnen te onderstrepen; Giraldi vergist zich hier echter zoals u in het vervolg zult zien. Ik begrijp hier onder de romans evenmin die geschiedenissen die bekend staan om hun onwaarheden, zoals die van Herodotus die er overigens minder bevatten dan men gelooft, de tocht van Hannon, het leven van Apollonius, beschreven door Filostratus en dergelijke. Die werken zijn echt omvangrijk en alleen fout in bepaalde delen; romans daarentegen zijn in enkele delen waar en fout in het algemeen. Het ene genre bevat waarheden gemengd met enige fouten, het andere fouten vermengd met enige waarheden. Ik wil zeggen dat de waarheid in die geschiedenissen de bovenhand heeft en dat de onwaarheid in de romans zodanig overheerst dat zij zelfs helemaal gelogen zijn, zowel in het geheel als in het détail. Aristoteles leert dat de tragedie waarvan de handeling bekend is en aan de geschiedenis ontleend, het meest volmaakt is, omdat zij waarschijnlijker is dan die waarvan de handeling nieuw is en helemaal bedacht; niettemin veroordeelt hij de laatste niet. Zijn redenering is dat de handeling, ook al is zij ontleend aan de geschiedenis, onbekend is aan het merendeel van de toeschouwers en wat hun betreft nieuw en dat zij niet nalaat iedereen te ontspannen. Men moet hetzelfde zeggen van de romans met dit onderscheid echter dat de totaal verzonnen handeling meer acceptabel is in de romans waarvan de personages minder gefortuneerd zijn, zoals in de komische romans, dan in de grote romans waarvan vorsten en veroveraars de personages zijn en waarvan de avonturen allemaal beroemd en memorabel zijn. Het zou immers niet waarschijnlijk zijn als de grote gebeurtenissen voor de wereld verborgen en door de historici veronachtzaamd zouden zijn. En de waarschijnlijkheid die in de geschiedenis niet altijd wordt aangetroffen, is de essentie van de roman.
Ik sluit ook van de romans uit bepaalde in hun geheel of in de delen volstrekt verzonnen verhalen, die echter alleen bedacht zijn bij gebreke van de waarheid. Dezulke zijn de imaginaire stambomen van de meeste volken, zelfs de meest barbaarse. Dat zijn ook die geschiedenissen die de monnik Annius van Viterbo op zo'n grove manier verondersteld heeft, tot verontwaardiging en minachting van alle geleerden. Ik breng hetzelfde verschil aan tussen de romans en dat soort werken als tussen die welke zich door een onschuldige kunstgreep verkleden en maskeren om, zich ontspannend, anderen te amuseren en die schurken die, naam en kleding van doden of afwezigen aannemende, hun goederen usurperen ten behoeve van de een of andere gelijkenis.
Tenslotte sluit ik ook de fabels van mijn onderwerp uit. Romans zijn verzonnen dingen die hebben kunnen zijn en die niet geweest zijn. Fabels zijn dingen die niet geweest zijn en niet hebben kunnen zijn."


Vervolgens komt het relaas van de zoektocht van Huet naar de oorsprongen van de roman. Hij poneert de stelling

"... dat de uitvinding ervan te danken is aan de Oosterlingen, d.w.z. aan de Egyptenaren, aan de Arabieren, aan de Perzen en aan de Syriërs. U zult dat ongetwijfeld toegeven als ik heb aangetoond dat het merendeel van de grote romanschrijvers van de Oudheid uit die volken is voortgekomen. Clearchos, die boeken over de liefde heeft geschreven, kwam uit Cilicië, een provincie grenzende aan Syrië. Jamblichos die de avonturen van Rhodanes en Sinonis heeft beschreven, was van Syrische ouders en werd opgevoed in Babylon. Heliodoros, de schrijver van de roman van Theagenes en Chariclea, kwam uit de stad Emesa in Fenicië. Lucianus die de verandering van Lucius in een ezel heeft beschreven, was van Samosate, de hoofdstad van Comagène, een Syrische provincie. Achilleus Tatios die ons op de hoogte heeft gesteld van de liefde van Clitofon en Leukippe, kwam uit Alexandrië in Egypte. De wonderbaarlijke geschiedenis van Barlaam en Josafat is gecomponeerd door de heilige Johannes van Damascus, de hoofdstad van Syrië. Damascius, die vier boeken met ficties heeft geschreven, niet alleen ongelofelijk zoals hij ze zelf heeft genoemd, maar zelfs grof en ver van alle waarschijnlijkheid zoals Photios verzekert, kwam ook uit Damascus. Van de drie romanschrijvers die Xenofon heetten en waarvan Suda spreekt, kwam de ene uit Antiochië in Syrië en een tweede van Cyprus, een eiland bij dezelfde streek. Zodoende verdiende dat hele land meer een Land der Fabelen te worden genoemd dan Griekenland waar zij alleen maar geïmporteerd zijn, maar waar zij wel zo goede aarde hebben gevonden dat zij er wonderlijk goed wortel hebben geschoten. Het is ook niet te geloven hoezeer al die volken bezield zijn door de geest van de poëzie, inventief zijn en begiftigd met liefde voor ficties; heel hun taal is figuurlijk; zij drukken zich alleen maar uit door middel van allegorieën; hun theologie, hun filosofie en vooral hun politiek en hun moraal, alles is bedolven onder fabels en parabels. De hiërogliefen van de Egyptenaren laten zien in welk opzicht dat volk mysterieus was. Alles drukte zich bij hen uit in beelden; alles was er vermomd; hun godsdienst was helemaal gesluierd; men liet haar niet kennen aan leken dan achter het masker van fabels en men lichtte dat masker alleen voor degenen die men waardig achtte om in hun mysteries te worden geïnitieerd. Herodotus zegt dat de Grieken hun mythologische theologie van hen hadden en hij vertelt verhalen die hij gehoord had van de Egyptische priesters en die hij, zelf goedgelovig en geneigd tot fabels, betitelt als kletspraatjes. Die praatjes intussen waren zeer aangenaam om te horen en om de nieuwsgierige geest van de Grieken te prikkelen, zoals Heliodorus getuigt, begerig om te leren en belust op nieuwtjes als zij waren. En het is ongetwijfeld van deze priesters dat Pythagoras en Plato, op de reizen die zij in Egypte maakten, leerden hun filosofie te versluieren en te verbergen in de schaduw van de mysteries en de vermommingen. Wat betreft de Arabieren, als u hun werken raadpleegt vindt u niets dan met de haren erbij gesleepte metaforen, vergelijkingen en verzinsels. Hun koran is zo iets. Mohamed zegt dat hij dat zo gedaan heeft opdat de mensen hem makkelijker konden leren en moeilijker vergeten. Zij hebben de fabels van Aesopus in hun taal vertaald en enkele onder hen hebben soortgelijke geschreven. Die Lokman, zo vermaard in het hele Oosten, was niemand anders dan Esopus. Zijn fabels, die de Arabieren in een behoorlijk omvangrijk werk hebben verzameld, bezorgden hem bij hen zoveel waardering dat de koran zijn wetenschap opeist in een hoofdstuk dat daarom de naam van Lokman draagt. De levens van hun patriarchen, van hun profeten en van hun apostelen zijn allemaal verdicht. Zij vormen de zaligheden van hun poëzie en de meest gangbare studie voor hun beaux esprits. Deze neiging is niet nieuw bij hen. Zij bezaten ze zelfs al voor Mohamed en zij hebben gedichten van die tijd. Erpenius verzekert dat de rest van de wereld samen niet zoveel dichters had als Arabië alleen. Zij hebben er zestig die met elkaar omgaan als de prinsen van de poëzie en die grote troepen dichters onder zich hebben. De vaardigsten hebben de liefde behandeld in herdersdichten en enkele van hun boeken over deze materie zijn doorgedrongen in het Westen. Verscheidene van hun kaliefen hebben de beoefening van de poëzie niet beneden hun waardigheid geacht. Abdallah, een van hen, trok er de aandacht mee en schreef een boek over "Gelijkenissen ", zoals Elmacin bericht. Van de Arabieren hebben wij, volgens mij, de kunst van het rijmen en ik heb genoeg bewijs dat de leoninische verzen naar hun voorbeeld gemaakt zijn: rijmen was naar het schijnt in Europa niet gangbaar voor de komst van Tarik en de Muza in Spanje en men ziet het veelvuldig in de volgende eeuwen; hoewel het mij overigens makkelijk zou zijn u te laten zien dat berijmde verzen aan de oude Romeinen niet geheel en al onbekend waren. De Perzen bleven niet achter bij de Arabieren in de kunst van het aangenaam liegen: want hoewel de leugen hen overigens sterk tegenstond in het gewone leven en zij hun kinderen niets zo streng verboden, hadden zij er niettemin oneindig veel plezier in in boeken en in het letterenverkeer; als tenminste ficties leugens genoemd moeten worden. Om het hiermee eens te zijn hoeft men alleen maar de fabuleuze avonturen van hun wetgever Zoroaster te lezen. Strabo zegt dat de meesters onder hen aan hun leerlingen morele voorschriften gaven omgeven met een waas van ficties. Hij zegt op een andere plaats dat men niet veel geloof hecht aan de oude geschiedenissen van de Perzen, de Meden en de Syriërs, vanwege de neiging van de schrijvers ervan om fabeltjes te vertellen. Ziende dat zij die professioneel geschiedenissen schreven gewaardeerd werden, geloofden zij dat men plezier zou hebben in het lezen van valse en verzonnen verslagen als zij waren geschreven in de vorm van geschiedenissen. De fabels van Esopus waren zo zeer naar hun smaak dat zij zich de schrijver hebben toegeëigend. Het is diezelfde Lokman waarover ik u al verteld heb, die zo vermaard was bij alle volken van de Levant dat zij van Phrygië de eer van zijn geboorte hebben willen stelen en hem zichzelf toeëigenen. De Arabieren zeggen immers dat hij behoorde tot het ras van de Hebreeuwen en de Perzen dat hij een donkere Arabier was en dat hij zijn leven doorbracht in de stad Casuvin die het Arsacië van de ouden was. Anderen daarentegen, - constaterende dat zijn leven, beschreven door Mirkond, veel verband hield met dat van Esopus, dat Maximus Planudes ons heeft nagelaten, en opgemerkt hebbende dat zoals de engelen in Mirkond de wijsheid aan Lokman geven, Mercurius de fabel aan Esopus geeft, - zijn ervan overtuigd dat de Grieken Lokman hebben gestolen van de oosterlingen en er hun Esopus van hebben gemaakt. Het is hier niet de plaats om deze kwestie te verdiepen, ik zeg alleen maar terloops dat men zich moet herinneren wat Strabo zegt, namelijk dat de geschiedenissen van die volken van het Oosten vol leugens staan, dat zij weinig nauwkeurig en getrouw zijn en dat het tamelijk waarschijnlijk is dat zij op fantasie berusten zowel wat betreft de auteur als de oorsprong van de fabels, evenals de rest; dat de Grieken in hun chronologie en geschiedschrijving zorgvuldiger en betrouwbaarder zijn; en dat de conformiteit van de Lokman van Mirkond met de Esopus van Planudes en Philostratus niet méér bewijst dat Esopus Lokman is dan dat zij bewijst dat Lokman Esopus is. De Perzen hebben aan Lokman de bijnaam van Wijze gegeven omdat Esopus per saldo tot de groep van de Wijzen is verheven. Zij zeggen dat hij diep was doorgedrongen in de medicijnen, dat hij bewonderenswaardige geheimen ontdekt heeft, onder andere om doden te doen herleven. Zij hebben zijn Fabelen zo geglosseerd, geparafraseerd en vermeerderd dat zij er, zoals de Arabieren, een heel groot boek van hebben gemaakt waarvan een exemplaar in de bibliotheek van het Vatikaan aanwezig is. Zijn roem heeft zich verbreid tot in Egypte en Nubië waar zijn naam en zijn wetenschap grote verering genieten. De huidige Turken maken niet minder werk van hem en geloven, zoals Mirkond, dat hij heeft geleefd in de tijd van David, waarin zij zich, als het werkelijk om Esopus gaat en als men geloof moet hechten aan de Griekse chronologie, met ongeveer 450 jaar vergissen. De Turken kijken echter niet zo nauw. Een en ander zou meer van toepassing zijn op Hesiodus die een tijdgenoot van Salomon was en aan wie men, volgens Quintilianus, de glorie van de eerste uitvinding van die fabels verschuldigd is die men aan Esopus heeft toegekend. Geen dichters evenaren de Perzen in de vrijheid die zij zich veroorloven om in de heiligenlevens en in hun geschiedschrijving te liegen over de oorsprong van hun godsdienst. Zij hebben hun geschiedenissen waarvan wij de waarheid kennen uit de weergaven van de Grieken en de Romeinen, zo misvormd dat men ze niet meer herkent. En terwijl zij zelfs afstappen van die prijzenswaardige aversie die zij vroeger hadden tegen degenen die zich van leugens bedienden voor hun eigenbelang, maken zij er vandaag de dag een eer van. Zij houden hartstochtelijk van de poëzie; zij vormt het vermaak van de groten zowel als het volk. De meerdere zou een hoogheidsrecht laten lopen als de poëzie zou ontbreken. Ook is het overal vol dichters die zich laten kennen aan hun opvallende kleding. Hun galante werken en hun amoureuze geschiedenissen waren beroemd en onthullen de romaneske geest van dit volk. De Indiërs waren behept met dezelfde fabulerende geest als hun buren de Perzen. De Indiër Sindbad had zijn parabels gecomponeerd die zijn vertaald door de Joden en die men vandaag de dag nog aantreft in de bibliotheken van de geïnteresseerden. De jezuiet pater Poussin heeft aan zijn Pachymeres, die hij onlangs in Rome heeft laten drukken, een dialoog toegevoegd tussen Absalom, koning van de Indiërs, en een gymnosofist over verscheidene kwesties van moraal waarin die filosoof zich alleen uitdrukt in parabels en fabels op de manier van Esopus. Het voorwoord beweert dat dit boek is geschreven door de wijste en geleerdste mannen van dat volk en dat het zorgvuldig bewaard werd in de schatkamer van het koninkrijk; dat Perzoës, dokter van Chosroës, koning van Perzië, het van het Indisch in het Perzisch vertaalde, een ander van het Perzisch in het Arabisch en Symeon Sethi van het Arabisch in het Grieks. Dit boek verschilt zo weinig van de "Apologieën" die de naam dragen van de Indiër Pilpay en die enkele jaren geleden verschenen zijn in het Frans dat men er niet aan kan twijfelen dat het het origineel ervan is of een kopie: want men zegt dat deze Pilpay een Brahmaan was die deel had aan de grote zaken en aan de regering van de Indische staat onder koning Dabschalim; dat hij al zijn politieke denkbeelden en al zijn moraal in dat boek opsloeg dat door de koningen van Indië werd bewaard als een schat van wijsheid en eruditie; dat de reputatie van dat boek reikte tot Nouchirevon, koning van Perzië, die er een kopie van had door bemiddeling van zijn arts die het vertaalde in het Perzisch; dat de kalief Almansor het liet vertalen van het Perzisch in het Arabisch en een andere van het Arabisch in het Perzisch; en dat men na al deze Perzische vertalingen nog een nieuwe liet maken, verschillend van de voorgaande waarvan men de Franse heeft gemaakt. Wie de geschiedenis van de vermeende patriarchen van de Indiërs Brammon en Bremavv, van hun afstammelingen en hun volken leest heeft geen ander bewijs meer nodig voor de liefde van dat volk voor fabels. Ik geloof dus graag dat toen Horatius de rivier de Hydaspes die ontstaat in Perzië en uitmondt in Indië, fabelachtig noemde, heeft willen zeggen dat hij zijn loop begint en eindigt tussen die volken die verzot zijn op valstrikken en maskerades. Die fopperijen en die parabels waarvan u gezien heeft dat zij in de landen waarover ik heb gesproken, profaan zijn, zijn in Syrië geheiligd. De heilige schrijvers hebben zich aangepast aan de geest van de Joden en bedienen er zich van om de inspiratie tot uitdrukking te brengen die zij van de hemel krijgen. De Heilige Schrift is helemaal mystiek, helemaal allegorisch, helemaal enigmatisch. De talmoedisten geloven dat het boek van Job niets anders is dan een door de Hebreeuwen uitgevonden parabel. Dat boek, dat van de psalmen, de Spreuken, Prediker, het Hooglied en alle andere heilige liederen zijn poëtische werken, vol van figuren, die in onze geschriften hard en gewelddadig lijken, maar die gewoon zijn in die van dat volk. Het boek Spreuken wordt ook dat van de Parabelen genoemd, omdat de spreuken van die soort, volgens de definite van Quintilianus, niets anders zijn dan ficties en korte parabels. Het Hooglied is een dramatisch stuk waarin de hartstochtelijke gevoelens van de echtgenoot en de echtgenote op een zo tedere en treffende manier zijn uitgedrukt dat wij erdoor gecharmeerd zouden zijn als die uitdrukkingen en die figuren een beetje meer verband zouden hebben met onze aard of als wij ons zouden kunnen ontdoen van die onjuiste preoccupatie die ons alles doet afkeuren wat zich ook maar een beetje verwijdert van onze gewoonten. Waardoor wij onszelf veroordelen zonder het te merken; omdat onze lichtheid ons niet toestaat lang in dezelfde gewoonten te verwijlen. Onze Lieve Heer zelf geeft bijna geen voorschrift aan de Joden dan onder het mom van parabels. De talmoed bevat een miljoen fabels, de een nog impertinenter dan de andere: verscheidene rabbi's hebben ze uitgelegd, met elkaar in overeenstemming gebracht of verzameld in afzonderlijke werken en overigens veel gedichten, spreuken en apologieën geschreven. De Cyprioten en de Ciliciërs, buren van Syrië, hebben bepaalde fabels gevonden die de naam van die volken droegen, en over de gewoonte om te liegen die de Ciliciërs in het bijzonder hadden, wordt afkeurend gesproken in een van de oudste gezegden dat in Griekenland in omloop was. Tenslotte waren de fabels in alle landen zozeer in de mode dat er onder de Assyriërs en de Arabieren, volgens het getuigenis van Lucianus, verschillende personages waren die er hun exclusieve werkzaamheid van maakten de fabels uit te leggen; en die mensen leidden een zo regelmatig leven dat zij veel langer leefden dan de andere mensen..." ....
Huet heeft zijn geschiedenis van de oorsprongen van de roman niet bepaald helder geschreven. Vaak levert hij alleen maar algemene betichtingen (leugens, leugenachtigheid) zonder zijn beweringen te documenteren. Een ding is wel wat helderder: de geschiedenis van de fabelreeks van Esopus of Bidpay of Lokman of Pachymeres of Perzoës. Voor Huet heeft Esopus daarvan de eerste versie geleverd en hebben al die fabulerende volken zich hem onder de een of andere naam toegeëigend. Tegenwoordig neemt men aan dat de fabels uit India stammen en al dateren van de tweede eeuw v.C. Zij vormen de Panchatantra. In de 6e eeuw n.C. heeft koning Khosrau, van 531 tot 579 koning van Perzië door Perzoës een kopie uit India laten halen en vertalen in het Perzisch. In de 9e eeuw is deze versie door Abdallah ibn Al-Mokassa in het Arabisch vertaald onder de naam "Kalila en Dimna. Fabels van Bidpay" en deze vertaling heeft ten grondslag gelegen aan vertalingen in het Grieks (Simeon Seth), Hebreeuws en het Latijn (Giovanni da Capua) en vooral de laatste weer aan vertalingen in het Frans, Engels, Spaans enz., kortom, in de Europese talen. La Fontaine erkent in zijn "Fables" Bidpay als zijn grote inspirator. Het is evident dat in de Esopus, de Bidpay, de Lokman, de Panchatantra enz. een groot aantal fabels dezelfde zijn en de verleiding is groot om te zoeken naar een gemeenschappelijke oorsprong. Niettemin is het aantal in vertalingen en bewerkingen toegevoegde fabels aanzienlijk.

© Ton Lenssen Maastricht 2004


Noten:
1. O.a. Buck, pg. 44.

Literatuur:
Buck, A., Italien, in: A. Buck, Dichtungslehren der Romania aus der Zeit der Renaissance und des Barock, Frankfurt 1972.
Coulet, H., Le roman avant la Révolution, Parijs 2001.
Doody, M.A , The True Story of Novel, Londen 1997.
Esmein, C., ed., Poétiques du roman. Scudéry, Huet, Du Plaisir et autres textes théoriques et critiques du XVIIe siècle sur le genre rpmanesque, éd. ét. et comm. par, 2004.
Giorgi, G., Les poëtiques italiennes du "roman", Simon Fórnari, Jean-Baptiste Giraldi Cinzio, Jean- Baptiste Pigna, Trad. intr. et notes par, 2005.

Weinberg, B., Trattati di poetica e di retorica del cinquecento, 4 dln., Bari 1970-74. (Scrittori d'Italia nrs. 247, 248, 253 en 258.)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten