Zoeken in deze blog

Bibliografische mededelingen

Het is niet zo dat ik sinds de verschijning van het laatste nummer in maart 2007 niets meer heb gedaan aan "Afrodisiaka". Ik heb juist heel veel gedaan, té veel. Zo veel dat ik het niet verwerkt kreeg tot een artikel. Ik heb talloze boeken binnengekregen, het een nog interessanter dan het ander, in ieder geval van een zodanige omvang en met een zodanig tempo dat ik het in boekbesprekingen niet kan bijhouden. Er verschijnt namelijk verschrikkelijk veel op dit gebied.

Begin van de romantheorie
Het begon al voor mij met de ontdekking van "Poétiques du roman. Scudéry, Huet, Du Plaisir et autres textes théoriques et critiques du XVIIe siècle sur le genre romanesque," éd., étab. et comm. par Camille Esmein, Parijs 2004. Wie zich mijn "Iets over de oorsprong van de roman " herinnert, zal onmiddellijk inzien dat dit een kapitaal geschrift is. Het omvat 940 bladzijden en drukt o.m. de door Arend Kok bezorgde tekst van het "Traité sur l'origine du roman" van Huet volledig af, evenals een groot aantal andere relevante teksten. Terwijl ik dat nog zat te bestuderen vond ik "Les poétiques italiennes du 'roman'. Simon Fórnari, Jean-Baptiste Giraldi Cinzio, Jean-Baptiste Pigna," trad., introd. et notes par Giorgetto Giorgi (2005), waarin Simon Fórnari wordt geïntroduceerd als een Italiaan die - in de inleiding tot zijn commentaar op de "Orlando furioso" - al in 1549-50 theoretiseerde over de roman.
Ik werk nu aan een artikel met de werktitel "Het begin van de theorie van de roman" waarin ik probeer uiteen te zetten niet alleen dat dit begin gezocht moet worden in de 16e eeuw, maar vooral in hoeverre het was door de activiteiten van Giraldi in Italië en/of Amyot in Frankrijk. Deze beide boeken zijn natuurlijk van fundamenteel belang voor het begrip van die problematiek. Laurence Plazenet schrijft in haar "L'ébahissement et la délectation" (1997) dat de inleiding die Jacques Amyot in 1547 heeft geschreven bij zijn vertaling van de "Aethiopika" van Heliodorus de "texte fondateur" van de romaneske kritiek is geworden. Hij beslaat maar een paar bladzijden, maar zijn definiëringen van de thema's en het vocabulaire van de roman zijn volgens haar overgenomen door Giraldi. Zo simpel is het echter niet. De probleemstellingen van Giraldi en Amyot liepen zeer ver uiteen. Worstelde Giraldi met de vraag of de "Orlando furioso" van Ariosto een roman was in de zin van Aristoteles, Amyot hield zich bezig met de "Aethiopika" als model van de romanschrijverij. Giorgi bespreekt wel de aanzetten tot theorievorming in Italië en Frankrijk, maar stelt ze naast elkaar, niet in elkaars verlengde. (Giraldi komt in de bijdrage van Plazenet aan het colloquium "Du roman courtois au roman baroque" (2002), getiteld "L'impulsion érudite du renouveau romanesque entre 1550 et 1660" niet voor.)

De antieke romanOok op dit gebied heb ik een aantal noviteiten gevonden. In de eerste plaats de nieuwe vertaling van de "Kallirhoe" van Chariton (2006) door Christina Mecklenborg en Karl-Heinz Schäfer, een Grieks-Duitse, tekstkritische uitgave met veel commentaar en een degelijke inleiding. Verder "Greek Identity and the Athenian Past in Chariton: The Romance of Empire"(2007) van Steven D. Smith. Het " Empire"  waarvan de "Kallirhoe"  de - in de eerste eeuw n. C. in de tijd van Nero geschreven - "romance"  zou zijn, is het Atheense van de 5e eeuw v. C., in de tijd van zijn ondergang. Hoewel de protagonisten van het boek reizen van Sicilië naar Babylon, laten zij Athene links liggen. Niettemin vindt Smith talrijke aanwijzingen dat Athene een belangrijke rol speelde in Chariton's verhaal, wellicht om een identitair houvast te vinden in een wereld van hellenisering en romanisering.

Italiaanse romanzi
Het meeste nieuwe materiaal heb ik gevonden op het gebied van de Italiaanse romanzi. Wel tien nieuwe titels zijn in mijn bezit gekomen. De laatste die ik heb ontvangen was "La letteratura cavalleresca. Dai cicli medievali all'Ariosto" (2000) van Marco Villoresi. Hij behandelt hierin de ridderliteratuur van de eerste cantari tot en met de "Orlando furioso" van Ludovico Ariosto. Het boek biedt een compleet overzicht en had dus het eerste moeten zijn geweest dat ik mij aanschafte.
Meer toegespitst op subgenres zijn de volgende. "The Chivalric Epic in Medieval Italy" (2000) van Juliann Vitullo gaat in op de vroegste chevallereske teksten, te beginnen met een vroeg-dertiende eeuwse codex uit de Veneto en eindigende met de bespreking van een Florentijnse tekst uit het midden van de 15e eeuw, allemaal Karolingisch - en nog geen arthuriaans - materiaal.
Een van de belangrijkste auteurs, Andrea da Barberini, komt bij haar aan de orde, maar al in 1997 had Gloria Allaire de monografie "Andrea da Barberino and the Language of Chivalry" gepubliceerd.
Zoals bekend heeft Boiardo de karolingische en de Arthurstof voor het eerst gecombineerd. Sindsdien kent Italië een - aanvankelijk - unieke stofverzameling die is uitgewerkt in de grote epen van Boiardo, Ariosto en Tasso. Over hun werk schreef Jo Ann Cavallo "Boiardo, Ariosto, and Tasso. From Public Duty to Private Pleasure"(2004).
Veel van deze hoofse of ridderliteratuur is geschreven tijdens de Renaissance. De vraag is dan natuurlijk hoeveel invloed het humanisme erop heeft gehad. Dennis Looney schreef over dit thema in 1996 "Compromising the Classics. Romance Epic Narrative in the Italian Renaissance". Van de hand van Jane E. Everson heb ik "The Italian Romance Epic in the Age of Humanism. The Matter of Italy and the World of Rome" (2001).
Laura Benedetti was zo vriendelijk mij haar moeilijk verkrijgbare Millennium-uitgave "Giovambattista Giraldi Cinzio, Discorso dei romanzi," a cura di L. Benedetti, G. Monorchio, E. Musacchio (2000) toe te sturen.

16e en 17e eeuwse Franse romansVan nieuwe literatuur over de Franse romans van de 16e en 17e eeuw noemde ik boven al een drietal titels. De titel van het boek van Plazenet "L'ébahissement et la délectation" is ontleend aan het "Proesme" van Jacques Amyot die er het nut van de roman mee bedoelt: "versteld staan en plezier". Zij onderzoekt hoe het program dat Amyot had geschetst, - namelijk een romanliteratuur te ontwikkelen naar het voorbeeld van de Griekse roman, in het bijzonder de "Aethiopika", - in Frankrijk en in Engeland is gerealiseerd. Het is een lijvig werk geworden van bijna 900 bladzijden.
In 2002 vond aan de universiteit van Versailles een colloquium plaats over het onderwerp "Du roman courtois au roman baroque". De bijdragen zijn gebundeld en in 2004 gepubliceerd onder redactie van Emmanual Bury en Francine Mora, met een inleiding en 28 bijdragen. Deze titel hield, voor wat betreft de term "roman baroque", een toespeling in op het boek "Du roman grec au roman baroque" (1995) van Georges Molinié. Molinié was de uitvinder van de term en hij bedoelde er de door de antieke Griekse romans geïnspireerde romans mee die in de 16e eeuw - in Frankrijk en Spanje - werden geschreven. Een wat bredere optiek had een internationaal colloquium bij het "Centre de Recherche sur l'Europe littéraire", eveneens in 2002 gehouden en waarvan de bundel is uitgegeven door de Presses universitaires de Strasbourg, onder redactie van Michèle Clément en Pascale Mounier, getiteld "Le roman français au XVIe siècle ou le renouveau d'un genre dans le context européen", met een inleiding en 17 bijdragen.
In 2006 verscheen "Avant le roman. L'allégorie et l'émergence de la narration française au 16e siècle" van Mawy Bouchard, die ervan uitgaat dat de "echte" roman pas ontstaat in de volgende eeuw.
Michel Fournier tenslotte publiceerde in 2006 zijn "Généalogie du roman. Émergence d'une formation culturelle au XVIIe siècle en France". Deze "formation culturelle" is zo iets als "een denken zoals de roman doet", een romaneske vorm van denken, denken "in a novellistic way", zoals men in het angel-saksische taalgebied zegt. Voor Fournier, evenals voor Claude Esmein begint de romantheorie in Frankrijk pas na 1620, - "ce n'est pas qu'au XVIIe siècle que la notion moderne de roman émerge véritablement en France"- met geschriften van mensen als Camus, Fancan, Sorel, enz.

ArtikelenIn het bovenstaande overzicht zit een zekere rangschikking die correspondeert met teksten die ik aan het schrijven ben. (Daarvoor heb ik het merendeel van de genoemde boeken ook aangeschaft.) Ik schrijf aan
1. een artikel over de "Kallirhoë " van Chariton;
2. een over de Italiaanse cantari, romanzi, enz.;
3. een over het begin van de romantheorie in de 16e eeuw;
4. een over de roman in het algemeen.
Ad 1. M.i. wordt over het hoofd gezien dat de "Kallirhoë" het verhaal is van twee personages die zich bewegen in, resp. voortbewogen worden door een ruimte die zich uitstrekt van Sicilië  in het Westen tot Babylon in het Oosten, welke ruimte is onderverdeeld in compartimenten die corresponderen met gebieden waarin verschillende juridische regimes gelden. Die regimes vertonen voorts een samenhang die bedriegelijk veel lijkt op ons hedendaagse model voor een rechtsorde met haar privaat- en publiekrechtelijke dimensies. Misschien is het vermoeden gerechtvaardigd dat Chariton, die tot op zekere hoogte een jurist moet zijn geweest, een boek beoogde te produceren dat heel leerzaam was voor aankomende juristen.
Ad 2. Net als Juliann Vitullo was ik "verbaasd welk een rijke en grotendeels onbestudeerde epische traditie voorafging aan de werken van de grote epici van de 16e eeuw, Boiardo, Ariosto en Tasso". En, zoals het volgens Aristoteles betaamt, was het deze verbazing die mij almaar verder de tijd van die traditie inzoog. Tot voor kort verrichtte ik mijn onderzoek aan de hand van een aantal bloemlezingen en handboeken; ik ben dan ook erg gelukkig met de ontdekking van de bibliotheek vol monografieën die inmiddels bestaat.
Ad 3. Dit artikel moet een grondige herziening en aanvulling worden van hetgeen ik geschreven heb in "Iets over de oorsprong van de roman". Niet dat ik daarvan iets terug moet nemen. Het nieuwe artikel gaat niet over het begin van de roman, maar van de romantheorie.
Ad 4. Langzamerhand ben ik toe aan een loflied op de roman. We zitten in de "Âge d'Or du roman", zoals de Franse literatuurkritikus Guy Scarpetta schrijft in zijn boek met deze titel. En ik vind ook dat de romanschrijverij vandaag beschikt over een prachtig arsenaal aan technische hulpmiddelen en een almaar uitdijende witte vlek aan interessante en nog onvermoede thema's.

(Wordt vervolgd.)

(Misschien mag ik er in alle bescheidenheid op wijzen dat ik erin geslaagd ben mijn standaard-bibliografie op deze site op te nemen. Zie in de linkerkolom of hier .)


Boekhandel in Aken

Geen opmerkingen:

Een reactie posten