Zoeken in deze blog

De wijsheid van de roman

De onderstaande met een romeins cijfer genummerde teksten vormen blogteksten die tussen 14 September en 12 oktober 2009 zijn gepubliceerd op mijn weblog. Ik dacht allang na over een essay waarin ik de roman in het algemeen wilde karakteriseren. In AfrodisiakA nr. 8 van april 2008 heb ik het voornemen al vermeld, maar de uitvoering blijkt niet gemakkelijk te zijn. Ik had mijn eigen leeservaring van een kleine zestig jaar ter beschikking, maar zij leek - en lijkt - mij te persoonlijk voor mijn doel. Niet dat ik ze - om persoonlijke redenen, zoals het heet - onpublicabel vind, de boeken waarin zij is opgedaan, zijn echter grotendeels in de vergetelheid geraakt of waren bij nader inzien niet "literair" genoeg om "de" roman te kenschetsen.
Ik realiseerde mij dus langzamerhand dat ik mijn eigen ervaring moest spiegelen aan die van anderen, mensen die hun ervaring ik zal maar zeggen op een hoger, een algemener niveau hebben gebracht en beschreven. Ik denk bij voorbeeld aan de klassieker "Axel's Castle" van Edmund Wilson of aan "Le rideau" van Milan Kundera, grote essays waarin op een geroutineerde manier met een mooie selectie romans wordt omgesprongen om iets duidelijk te maken. "Poetic Justice" van Martha Nussbaum, dat in mijn blogs ter sprake komt, hoort daar ook bij, evenals "Law and Literature" van Richard Posner, die verschil of overeenkomst tussen recht en literatuur onderzoeken, "The Failure of the Word. The Protagonist as Lawyer in Modern Fiction" van Richard H. Weisberg, die aan de hand van een aantal "juridische romans" probeert aan te tonen dat de juridische taal de werkelijkheid vertekent. En "L'âge d'or du roman" van Guy Scarpetta, die laat zien dat de roman niet op zijn einde is, maar juist in zijn bloeitijd. De meeste van deze boeken willen een bepaald punt maken waartoe ze de romans excerperen die dat punt naar hun mening ondersteunen, hoezeer de romanschrijver zich daarvan meestal niet bewust was.
En dan is er nog de gigabibliotheek van meer of minder geleerde literatuur over de roman, zijn structuur, zijn geschiedenis, zijn socio- of antropologie, zijn economie, zijn psychologie, enz., geschreven door de literatuurwetenschappers. Ik houd die graag op enige afstand, zij leveren niet wat ik zoek.
Wat zoek ik dan? Dat waar het in de roman om gaat, het vertellen, de alomvattendheid, de luciditeit, het voorstellingsvermogen, de wendbaarheid of polytropie, de ongrijpbaarheid en nog wat van die dingen, tesamen de uitbeelding van het leven vormend. Is dat zijn "intelligente hart", zoals Finkielkraut meent? Is het zijn "menselijkheid", zoals Nussbaum denkt? Ik noem het maar zijn "wijsheid".

I.

Koning Salomon smeekte de Eeuwige hem een intelligent hart te geven. Dat is lang geleden, maar na de vorige eeuw heeft dit gebed om een gevoelige scherpzinnigheid nog steeds zijn waarde. Met deze twee zinnen begint het nieuwste boek van de Franse filosoof Alain Finkielkraut, Un coeur intelligent, 2009. (Hij schijnt er zich niet van bewust te zijn dat hij het adjectief en het substantief van de ene op de andere zin omkeert. Wil hij een intelligent hart of een gevoelige scherpzinnigheid? Het laatste zou in het Frans wellicht een "affectivité perspicace" zijn. Dit terzijde, hoewel het van belang is zoals zal blijken.)
God, echter, zwijgt, vervolgt het "Avant-propos" van Finkielkraut. Wij moeten het dus elders zoeken. Voor onze gevoelige intelligentie of intelligente gevoeligheid kunnen wij niet terecht bij Hem noch bij de geschiedenis (van de vorige eeuw), wij kunnen ons met enige kans op succes richten tot de literatuur. Haar bemiddeling is geen garantie, zonder haar zou de genade van een intelligent hart echter voor altijd onbereikbaar zijn. En wij zouden misschien de wetten van het leven kennen, maar niet zijn jurisprudentie, voegt hij er aan toe.
Het boek van Finkielkraut, de filosoof, bestaat vervolgens uit 9 studies aan de hand van 8 romans van 8 romanciers, - namelijk Milan Kundera (La plaisanterie), Vassili Grossman (Alles stroomt), Albert Camus (Le premier homme), Philip Roth (The Human Stain), Joseph Conrad (Lord Jim), Fjodor Dostojewski (Aantekeningen uit het ondergrondse), Henry James (Washington Square), Karen Blixen (Het feest van Babette) - en een autobiografie, de "Geschichte eines Deutschen" van Sebastian Haffner. Een filosoof die 8 literaire werken bespreekt. Hij geeft in zijn eerste zin al aan waarom, maar daar staat een voor een filosoof niet vanzelfsprekende stelling. Zeker, er zijn filosofen die proberen de filosofie van de roman te definiëren, Vincent Descombes bij voorbeeld in zijn "Proust. Philosophie du roman" (1987), maar hij beperkt zich toch maar tot de filosofische roman bij uitstek, de "Recherche du temps perdu". En hij heeft niet de probleemstelling van Finkielkraut, de speurtoch naar het intelligente hart/de gevoelige intelligentie, de combinatie van gevoel en gedachte, de overwinning van de tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek.
Finkielkraut legt niet uit wat Salomon met dit hart wilde. Waarvoor had hij het nodig en waarvoor moeten wij het hebben? Een kleine indicatie voor wat hemzelf betreft staat in het "Avant-propos". Wat ik in mijn vertaling heb samengevat in de woorden "na de vorige eeuw", wordt door de auteur gespecificeerd. Het was namelijk de eeuw die "geruïneerd is door de gezamenlijke wandaden van de bureaucraten, d.w.z. van een zuiver functionele intelligentsia, en van de bezetenen, d.w.z. van een oppervlakkige, binaire, abstracte sentimentaliteit die soeverein onverschillig was voor de bijzonderheid en voor de kwestbaarheid van de individuele lotgevallen". In de plaats van die bureaucratische instelling en van die sentimentaliteit - waarvan ik niet weet waar zij wordt aangetroffen, althans wat Finkielkraut ermee bedoelt - hebben wij behoefte aan een gevoelig verstand. En dat wordt aangetroffen in de literatuur.
Ook deze stelling is niet nieuw. Kundera schreef in "L'art du roman" al dat de roman van de laatste vier eeuwen een taak waarnam die eigenlijk die van de filosoof was. De filosofie kwam er pas op met Heidegger.
Dat deze bede nog steeds valabel is, heeft ook Hannah Arendt al geschreven, zegt Finkielkraut, en op haar manier heeft ook Martha Nussbaum dit desideratum tot uitdrukking gebracht. In "Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life" (1995) zoekt zij, zich niet inspirerende op Salomon, maar op Adam Smith ("The Theory of Moral Sentiments"), een juiste formulering voor wat Smith noemde de "judicious spectator", de oordeelkundige toeschouwer. "Tot zijn belangrijkste morele bekwaamheden behoort het vermogen om zich levendig voor te stellen wat het is om elk van de personen te zijn van wie hij zich de situatie voorstelt", schrijft zij. En zij is eveneens van mening dat wij toe zijn aan een meer gevoelsmatig openbaar leven en besteedt haar hele boek aan de analyse van een aantal romans door de lezing waarvan dat geleerd kan worden. De bureaucraten en bezetenen van Finkielkraut zijn bij Nussbaum allen die deelnemen aan het openbare leven, maar in het bijzonder de rechters. Ligt de probleemstelling van Finkielkraut (en Kundera) op het gebied van filosofie en literatuur, die van Nussbaum beweegt zich op het terrein van recht/politiek en literatuur. Alle drie proberen zij een houding in het openbare leven te vinden en alle drie zoeken zij die in de roman. Ook Adam Smith hechtte een aanzienlijk belang aan literatuur als bron voor morele begeleiding.

II.

Aan wie denken zulke filosofen als Finkielkraut en Nussbaum? De eerste aan bureaucraten en "bezetenen", de tweede aan rechters. De ondertitel van haar boek verwijst echter naar het openbare leven zonder die beperking. Politici kunnen het zich volgens mij dan ook eveneens aantrekken. Bureaucraten laten zich definiëren als figuren die beheerst worden door een zuiver functionele intelligentie. Zij zijn de uitvoerders van doeleinden die niet ter discussie staan, die voor vanzelfsprekend worden gehouden. Zo zal een ambtenaar van de waterstaat zijn wegen recht willen construeren, terwijl hij daarmee misschien een landschappelijk waardevol element vernietigt. Hij moet - bij voorbeeld door een actiegroep of door Staatsbosbeheer (als dat nog bestaat) - erop geattendeerd worden dat het zo, uit een oogpunt van landschapsbeheer, niet kan. Ander voorbeeld: een generaal zal met militaire middelen de "vijand" willen verslaan, geen rekening houdende met de diplomatie noch met de vraag of hij wel met een echte vijand te maken heeft. Nog een voorbeeld: het liberalisme is de afgelopen drie decennia beschouwd als de vanzelfsprekend juiste ideologie en "dus" wordt alles geprivatiseerd. (À propos, over dit liberalisme heb ik een mooie publicatie gelezen van Orlando Lentini, getiteld "American Liberalism, One Worldism & World-Systems Analysis", hier te vinden. Het maakt o.m. duidelijk hoe vanzelfsprekendheden geproduceerd kunnen worden.) In het overheidsbestuur is nog wel enig besef aanwezig van het algemene van zijn taak, in het particuliere bedrijfsleven is het denken volstrekt functioneel. Het staat helemaal in dienst van de winstmaximering en "is er niet voor" bij voorbeeld de ruïnerende werking van reclame.
Bureaucraten komen dus zowel bij de overheid als bij de grote bedrijven voor. Een kenmerk is de desinteresse voor de individuele dingen, voor het bijzondere, hetgeen nog mals gezegd is, want meestal is er weerstand tegen en bestrijding van het bijzondere, alles moet gestandaardiseerd worden.
Zo'n mentaliteit leidt natuurlijk ook niet tot "nadenken", integendeel, daar is geen tijd voor en alles is duidelijk. Zij leidt niet tot nadenken, laat staan tot aan- of invoelen.
Bij degenen op wie Nussbaum zich richt gaat het op het eerste gezicht om een andere instelling. Haar boek was de samenvatting van een cursus over recht en literatuur aan de universiteit van Chicago, bestemd voor juridische studenten. Zij waarschuwt niet tegen het bureaucratische functionalisme, maar tegen de economisch-utilitaristische geest die de rechterlijke macht in de VS volgens haar beheerst. (Kennelijk ging zij ervan uit dat de studenten die zij voor zich had, allemaal rechter wilden worden.) Dat de rechters in de VS zo te werk gingen was een stelling van Richard Posner, die een boek had gepubliceerd getiteld "The Economics of Justice". In continentaal Europa zal men niet zo gauw geporteerd zijn voor deze stelling maar meer denken aan juridisch formalisme, de gedachte dat iets recht is omdat het in de wet of het contract staat en dat het daarom letterlijk moet worden uitgevoerd. Wat in een gegeven geval daarbij recht is is niet het resultaat van alzijdig nadenken over, alzijdig ingaan op de zaak (zelf), maar wat er in de wet over is te vinden wat altijd iets algemeens zal zijn.
Zie ik het goed dan bedoelt Nussbaum hiertegen te waarschuwen. En nadenken over en ingaan op de zaak zelf in al haar détails vind je, volgens haar, in de roman. Wat treft zij daarin aan?
Wat Nussbaum op dit punt naar voren brengt is erg interessant. De roman omvat personages ("characters") die handelen ("complex behaviour") in een wereld (locatie, situatie). Zonder deze elementen geen roman. De roman wil ook gelezen worden en de lezer weet waar hij aan toe is, als hij een boek ter hand neemt dat wordt aangekondigd als een roman. De romanlezer leert, al meefantaserende, oog te krijgen voor werelden bevolkt met mensen die handelingen en daden verrichten, met welke mensen hij zich kan identificeren en voor wie hij sym- of antipathie kan opvatten. Dat alles levert het genre "roman" als zodanig de lezer op. De roman bevat mensenkennis in zowel gedetailleerde als algemene zin, in de eerste plaats gedifferentieerde. Vier andere "features" die Nussbaum behandelt, behoren tot het standpunt van de schrijver en ook daarvan leert de lezer, namelijk hoe hij een standpunt kan innemen over mensen en hun wereld. Kortom, romans lezende en/of schrijvende wordt men menselijk ("humane"), men krijgt oog voor de details, men krijgt, om tot Finkielkraut terug te keren, niet alleen oog voor de wetten van het leven, maar ook voor zijn jurisprudentie.

III.

Ik denk dat het concept van "een intelligent hart" bij Salomon niet dezelfde betekenis had als het voor ons heeft. Voor ons ontleent het zijn spanning aan de tweespalt tussen Verlichting en Romantiek. Intellect staat daarbij voor het rationalisme dat in de tijd van de Verlichting opgeld deed, terwijl het hart het symbool of de locatie is van het gevoel waarmee de romantiek wegloopt. De combinatie van de twee woorden produceert een oxymoron. Voor Salomon deed het dat niet. Ratio en emotie lagen voor hem niet uit elkaar. In onze tijd is de ratio het terrein van de filosofie, de emotie dat van de kunst, in het bijzonder de muziek en de literatuur. Voor Finkielkraut en Nussbaum moet de bestuurder zijn bestuurskunde en de rechter zijn rechtsgeleerdheid uitbreiden met de lectuur van romans.
Toen Salomon, de zoon van koning David, net koning was, zo gaat het verhaal in Koningen 1, 3, 5-14, droomde hij een keer dat hij met God in gesprek raakte. "Vraag maar wat je wil," zei God, "ik zal het je geven." Salomon antwoordde met enige retorische omhaal, dat hij zijn hulp heel hard nodig had. "...ik ben nog zo jong en ik heb nog geen ervaring. Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden ... Schenk uw dienaar een opmerkzame geest zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk?"
Hij vroeg deze gunst dus niet om privé-redenen, niet voor zijn eigen levensovertuiging of zo, maar om een leidraad te hebben bij de uitoefening van zijn koningschap, een koningschap dat indertijd vooral uit rechterschap bestond.
God was enthousiast over deze wens van Salomon. Hij vertaalde haar in "het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht" en vervulde haar door aan de koning "veel wijsheid en onderscheidingsvermogen" - plus nog wat in beider ogen trivia waren - te schenken. "Als je mij maar gehoorzaamt," voegde hij eraan toe, wat, zoals bekend, Salomon niet gedaan heeft. Ik leg hier nogal wat nadruk op, omdat ik mij afvroeg voor wie de behoefte aan een "intelligent hart" relevant is. Kennelijk was het voor Salomon - op deze plaats, in de boeken Spreuken en Prediker is het waarschijnlijk anders - niet iets waar iedereen over moest beschikken. Terecht hebben Finkielkraut en Nussbaum het dus tegen bestuurders en rechters.
Ik wil nog een andere opmerking kwijt. Voor zover ik hierboven teksten uit de bijbel aanhaalde, heb ik die ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling (NB) van 2005, een gezamenlijk katholiek-protestants werkstuk. Voordien gebruikte ik de Petrus Canisius-vertaling (OB) van 1955. Vergelijking tussen de twee vertalingen is heel interessant. In de OB vraagt Salomon: "Geef uw dienaar een opmerkzaam hart, om uw volk te kunnen oordelen, en onderscheid te maken tussen goed en kwaad; want wie is anders in staat, dit machtige volk van U te besturen?" God antwoordt dat hij hem gevraagd heeft om "inzicht, om het recht te verstaan" en voldoet aan deze wens door "een wijs en verstandig hart" te geven.
Ik ga hier niet meer uitvoerig op in, ik vrees dat men dit alles niet al te letterlijk moet nemen en er in ieder geval geen strenge theorie aan moet ontlenen. Misschien heeft Nussbaum dat ook gedacht, want waar zij uitvoerig, drie kwart van haar boek lang over de rechtspraak schrijft, noemt zij Salomon niet.
Misschien zijn dit wat zijdelingse opmerkingen en loop ik het risico dat ik afdwaal van mijn eigenlijke onderwerp: de waarde van de roman. Wat al de bovengenoemde auteurs zoeken is, lijkt mij, wat Kundera noemde de wijsheid van de roman. Hij kwam daarmee in een lezing die als 7e deel is opgenomen in "L'art du roman" (1986). Waarin bestaat die wijsheid?

IV.

Intussen - d.w.z. tussen het voorgaande en wat ik in het vooruitzicht heb gesteld - stootte ik op de titel: "The Intelligent Heart. Transform Your Life With The Laws Of Love" (1997), door David McArthur & Linda Brown. Ik ga hier niet op in, hoewel ik er Alain Finkielkraut op zou willen attenderen, behalve met het volgende. In summary van Linda Brown treft men de volgende zinsnede aan: "When using the intelligence of the heart along with the intelligence of the head, we tap into divine guidance." Als wij de intelligentie van het hart samen met de intelligentie van het hoofd gebruiken putten wij uit goddelijke begeleiding. Nou, nou.
Bedoelt Finkielkraut dit misschien ook? Hij verwijst vaak naar Kundera, o.a. naar zijn vermelding van een joods spreekwoord dat heel gis zegt: "De mens wikt, God lacht," een mooie correctie op het serieuze - je zou bijna zeggen: deïfaitistische - "de mens wikt, God beschikt" van ons. Kundera vermeldt het spreekwoord niet alleen, maar hij maakt er de geest van de roman van. "Ik denk graag," schrijft hij, "dat de romankunst ter wereld gekomen is als de echo van de lach van God." Dit is zijn antwoord op de vraag naar de wijsheid van de roman: de wijsheid van de roman bestaat in de lach van God.
Dat is prima, zou je zeggen, maar er is iets mee. Want hoe gaat dat in zijn werk? Zijn de romans geïnspireerd door (de lach van) God, zoals de bijbel of de koran? Zijn de romanciers een soort shamanen of media? Vaak noemt men ze de apen van God. Zijn er schrijvers te noemen als bewijs van de stelling van Kundera? Hijzelf noemt inderdaad Tolstoi, maar toch vooral Rabelais, Cervantes, Fielding, Sterne, Goethe, Laclos. Allemaal geestige romanciers, toch? Dus geïnspireerd, door de lach van God. Misschien vinden de joden van het spreekwoord waar Kundera op wijst de Heilige Geest wel de Lach van God! En waarom niet? Wie zegt dat de heilige geest een aristotelische of cartesiaanse filosoof was?
Een Nederlandse schrijver die zich wel eens met het probleem van de inspiratie van de romancier bezig hield, was Couperus.

V.

Ik gebruikte op het einde van mijn voorlaatste blog de term "inspiratie van de romancier". Dat is, letterlijk, dat wat hem bezielt. Natuurlijk ben ik er mij van bewust dat de mens en dus ook de romancier naast het hart een ziel heeft, althans dat deze twee verschillende instanties in de mens zijn. Ik weet niet waarom Finkielkraut van mening is dat de roman voortkomt uit het hart van de auteur, maar op het einde van de 19e eeuw zocht men het meer in de ziel. De, onze Tachtigers probeerden met een faustische pneumatiek aan de trivialiteit van hun omgeving te ontsnappen en op te gaan in de Al-Ziel (Verwey).
Ook Couperus vatte haar op als een last resort. Het zou mij niets verbazen als hij zich gedrongen heeft gevoeld om daar, ter ontnuchtering, de "kleine zielen" tegenover te plaatsen, zichzelf daarmee echter de allures van de alwetende schrijver aanmetende. Na lezing van zijn "Boeken der kleine zielen" is wel duidelijk wat hij onder een kleine ziel, onder kleinzieligheid verstaat. Maar wat staat daar tegenover in zijn optiek? Welke grote zielen heeft hij beschreven? Tussen de kleine zielen is alleen Brauws aan te wijzen, maar die is te weinig uitgewerkt om een werkelijk goed beeld te krijgen. In "Majesteit" en "Wereldvrede" echter, dat in "Metamorfoze" "Het boek van anarchisme" wordt genoemd, komen minstens twee "grote zielen" voor: de keizer, Othomar, en de anarchist, Zanti. Ik was dus wel op de goede weg toen ik vermoedde dat een schrijver als Couperus iets interessants over de "grote ziel" gezegd zou kunnen hebben.
Ik heb daar lang op geteerd en, zonder veel succes, geprobeerd er iets mee te doen. Ik dacht er bij voorbeeld over een roman te schrijven waarin het thema van "Wereldvrede" opnieuw zou worden opgenomen, of een artikel over het opmerkelijke toeval dat Couperus met een roman kwam waarin een figuur als Othomar een portrettering was van czaar Nicolaas II, die vier jaar later - voor iedereen, behalve dus Couperus, onverwacht! - het initiatief nam tot de Haagse Vredesconferentie van 1899.
Een poos geleden las ik toevallig "Kindersouvenirs" van Couperus en begreep wat hij onder een "grote ziel" verstaat, tenminste onder die welke hijzelf is. Couperus voelde zich een "grote ziel", wat bij hem betekent een genereuze ziel. De Chinese schrijnwerker, in "Kindersouvenirs", omschrijft de "grote ziel" als volgt:

"Daarmee bedoel ik, dat de kleine meneer (Couperus dus - T.L.) gelúkkig zal worden in het leven, dat hem wacht, omdat zijn ziel "groot" zal zijn en zal zien rondom hem, en al het moois zal zien wat er is op de wereld en in de mens. De "grote zielen", die dat zo zien, zijn de dichters en de kunstenaars: zij bootsen de natuur en het leven na, en die nabootsingen zijn hun geluk. Hun zielen zijn "groot", omdat zij veel zien en veel begrijpen, en op hun beurt veel geven van wat zij ontvangen; want de "grote zielen" zijn mild. En omdat zij ontvangen en geven, en zien en bewonderen en nabootsen, zijn zij gelukkig, is hun leven gelukkiger dan van vele andere mensen: zij zijn de gezegenden van de goden, en de goden hebben hen lief..." (Verzameld Werk, VII, pg. 678/9.)

Waw, nietwaar?
In "Van oude mensen" legt hij Lot Pauws, de journalist, eveneens woorden in de mond die zijn opvatting van het schrijver- en kunstenaarschap betreffen en die de in het citaat vertolkte opvatting nader uitwerken.
Is Couperus dan niet de auteur van "De boeken der kleine zielen"? Ik bedoel iemand die juist geweldig genoeg geïnteresseerd is in kleine zielen om er zo'n lijvig boek over te schrijven? Was hij er niet mee geëngageerd, zong hij er niet de lof van?
De "Dionysos-studiën" zeggen daarover wel iets, te beginnen met de "opdracht": "Na de Kleine Zielen, vóór Dionysos...", waarbij dat "vóór" aardig dubbelzinnig is. Schrijft hij deze gedichten voordat hij aan het boek "Dionysos" begint of zegt hij erin dat hij niet voor de kleine zielen, maar voor Dionysos is? "Na ‘t scheemren veler kleine Zielen lot" dwalen "zijn morgens" "langs lange marmergodenvolle zalen".
Echter
"mijn ziel is twee: een kind van noordewee,
Duikt zij deemoedig onder noordeluchten
En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.

Maar als de schemervisioenen vluchten
Na ‘t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,
Slaakt zij naar bláuwe lucht haar jubelkreet."

Duidelijk is de zaak voor hem kennelijk niet. Hij pendelt heen en weer tussen "grauw" en "blauw". En hoe komt hij van "Eline Vere", "Noodlot" en "Extaze", via "Majesteit", "Wereldvrede" en "Hooge troeven", bij "Psyche" en "Fidessa"? En brengen die laatste twee hem op de grootzieligheid?
Intussen is het niet eenvoudig vast te stellen wat precies de grote ziel vervult. Is het het anarchisme of het verlangen naar wereldvrede in "Majesteit" en "Wereldvrede"? Is het de leer van Dionysos in "Dionysos"? Misschien de oosterse wijsheid in "De stille kracht" (1900)? Een soort Mythras-leer in "De zonen der zon"? Het christendom, zoals in "Jahve"? Wat zegt "De berg van licht"? Zijn Iskander en Xerxes (afgebeeld als) grote zielen? Wat zocht Couperus in Romeinse verhalen als "De berg van licht" en "De comedianten"? Deed ook hij aan anthroposofie? Deed hij iets met Goethe? Waar haalde hij zijn Dionysos vandaan? Van Nietzsche? In het register van de biografie van Bastet komt Nietzsche niet voor. Wie het weet...
En dat de roman ondubbelzinnig de zetel van het intelligente hart zou zijn is eigenlijk ook niet vol te houden.

VI.

"In de eerste versie van de "Anna Karenina" die Tolstoi schetste was Anna een heel onsympathieke vrouw en haar tragische einde was gerechtvaardigd en verdiend. De definitieve versie van de roman is heel anders, hoewel ik niet geloof dat Tolstoi tussentijds zijn morele opvattingen heeft veranderd, integendeel, ik zou zeggen dat hij onder het schrijven een andere stem heeft gehoord dan die van zijn moraal. Hij hoorde wat ik graag zou noemen de wijsheid van de roman." Zo schrijft Kundera in "L'art du roman"." Alle ware romanschrijvers hebben een oor voor deze bovenpersoonlijke wijsheid, hetgeen verklaart waarom de grote romans altijd een beetje intelligenter zijn dan hun auteurs," voegt hij eraan toe.
Ik herinnerde mij deze uitspraken van Kundera terwijl ik, zelf enigszins bevreemd, de slotalinea van mijn vorige blog nog eens las. Waren dat wel goede vragen die ik daar stelde? De romans van Couperus die ik daar noem bevatten zeker personages die vervuld zijn van de -ismen die ik opsom, maar schuilt daarin de wijsheid van de roman? Het antwoord ligt in het bovenstaande citaat. Natuurlijk zijn een aantal personages vervuld van zekere opvattingen die men kan bestuderen of in ieder geval toetsen aan hun algemene versies. Men kan zich dan de vraag stellen wat voor soort anarchist bij voorbeeld Zanti in "Majesteit" is. Of wat voor soort "imperialist" de keizer is in vergelijking met zijn zoon in "Wereldvrede". Voor zover dat al wijsheid oplevert, is dat wijsheid in, niet van de roman. Wat Kundera bedoelt is de wijsheid die opgesloten ligt in de literaire vorm die wij roman noemen. In die vorm is Couperus in staat grote en kleine zielen ten tonele te voeren, zonder er een moreel oordeel over uit te spreken, ze zo te beschrijven dat zij voor zichzelf spreken. Deze mogelijkheid biedt de roman als zodanig. Aldus Kundera.
En aldus ook de Vincent Descombes die ik eerder noemde, in zijn "Philosophie du roman".
De wijsheid van de roman ligt dan in de opschorting van het morele oordeel ten gunste van een breder uithalen over de feiten. Ik denk dat ook Nussbaum dat bedoelde in "Poetic Justice", waar zij rechters maant hun juridische oordeel op te schorten totdat zij zich een goede voorstelling kunnen maken van de feiten. Je zou bijna zeggen dat dat logisch is en bij de rechters bekend, maar als men de uitvoerigheid van de roman eenmaal ervaren heeft kan men bijna niet meer volstaan met de beknoptheid die men vaak in juridische lectuur ontmoet. En die gerechtvaardigd wordt in de retorika, die nog steeds het model voor het juridische en morele redeneren levert. Te geringe uitvoerigheid is meestal het gevolg van het idee dat men wel weet hoe de vork in de steel zit.
In de literatuur leidt deze opvatting er vaak toe dat er dingen worden verteld die "eigenlijk" niet door de beugel kunnen, dat wil zeggen die moreel verwerpelijk worden geacht, maar literair verantwoord zijn. De angst voor het onbekende wordt dan weggenomen en de oordeelvorming reëler.

VII.

De wijsheid van de roman ligt dus niet in de auteur noch in de personages, maar in de romanvorm. De roman is intelligenter en hartelijker dan de auteur en vanzelfsprekend nog intelligenter en hartelijker dan die harteloze domoren die door de auteur gecreëerd zijn. De roman is de gastvrijheid zelf.
Is dat het geval met alle romans? Natuurlijk niet. Kundera beperkt zich tot de "grote romans" en Finkielkraut en Nussbaum bespreken ook alleen maar romans die zij belangrijk genoeg vinden. En die grote romans zijn, alweer volgens Kundera, geschreven door de "ware romanciers".
Hoe is het mogelijk dat de roman deze capaciteiten heeft? Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de definitie van de roman en die is ver te zoeken. Eigenlijk is het echter toch ook heel eenvoudig. De roman is het meest veelzijdige literaire of linguïstische (sub)genre. Hij is zo wendbaar dat hij - in ieder geval het meest - in staat is om de wendingen in het leven te volgen. Met de roman kan men alle kanten uit. Hij kan in gewone taal onder woorden brengen als ook in poëtische, wetenschappelijke, filosofische, journalistieke enz. Hij overstijgt de geschiedenis door - intelligent en betrokken - te speculeren over de ontbrekende stukken. Door zijn poëtische mogelijkheden kan hij het onzegbare zeggen, door zijn realisme dat wat moreel onaanvaardbaar wordt geacht maar toch uitgesproken moet worden. Door zijn gewone taalgebruik kan hij de journalistiek overtreffen. Door zijn voorstellingsvermogen kan hij de juridische kortbondigheid verhelderen en voorstelbaar maken.
Kán hij... wat wil zeggen dat niet alle romans het doen of zelfs maar hoeven te doen. Er is natuurlijk een schaal van benadering van de goede roman, maar als middel is de roman het beste in staat om het leven zelf op het spoor te blijven. Hij heeft de wijsheid van het leven, het leven dat om zichzelf de moeite waard is. Als het maar niet teveel verziekt wordt.

Met het bovenstaande is het thema dat ik mij voorgenomen heb te behandelen, nog lang niet uitgeput. Natuurlijk niet. En maar goed ook. Als de roman zo gemakkelijk samengevat kon worden, was hij waardeloos. Hij zou zo doorzichtig zijn als een openstaande deur en al zijn aantrekkingskracht verliezen. Ik kom hierop dus ongetwijfeld terug, misschien wel met mijn eigen "ontdekking van de roman".

Ton Lenssen, Maastricht, oktober 2009.

Literatuur:
Couperus, L., Kindersouvenirs, in: Volledige Werken Louis Couperus, 31, De zwaluwen neêr gestreken, 1993, pg. 52-59.
Descombes, V., Proust. Philosophie du roman, 1987.
Finkielkraut, A., Un cœur intelligent, 2009.
Kundera, M., L'art du roman, 1986.
Lentini, O., American Liberalism, One Worldism & World-Systems Analysis, in: Journal of World-Systems Research , VI, 3, FALL/WINTER 2000, pg. 812-826.
McArthur, D., en Brown, L., The Intelligent Heart. Transform Your Life With The Laws Of Love, 1997.
Nussbaum, M., Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life, 1995.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten